Naar de inhoud

scheren

met een schaar of mes de huid van haar ontdoen

scheren is meer dan één woord

scheren

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxerə(n)

Betekenis

  1. met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
  2. zich ~: zich de baard kort afsnijden
  3. rakelings over een oppervlak bewegen

Hoe spreek je scheren uit?

/ˈsxerən/

Scheren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. zich ~ zich ergens vandaan verwijderen, zich uit de voeten maken obsolete, reflexive
  2. ordenen, rangschikken transitive
  3. volgens een rechte lijn bijhakken/-snijden transitive
  4. spannen transitive
  5. toebedelen obsolete, transitive

Vervoeging van scheren

scherenhele werkwoord — scheerdeverleden tijd enkelvoud — scheerdenverleden tijd meervoud — gescheerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik scheer scheerde
jij scheert scheerde
hij, zij, het scheert scheerde
wij scheren scheerden
jullie scheren scheerden
zij scheren scheerden
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschoren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschoren impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschoren impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschoren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschoren worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschoren zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschoren worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschoren zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gescheerd verleden tijd, deelwoord
gescheerd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescheerd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoren verleden tijd, deelwoord
geschoren te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoren te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoren te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoren te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoren te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoren worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoren zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoren zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoren zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoren zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
scheer gebiedende wijs
scheerde verleden tijd
schere aanvoegende wijs
scherend onvoltooid, deelwoord
schoor verleden tijd
te hebben geschoren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te scheren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gescheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen scheren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gescheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescheerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gescheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescheerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gescheerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gescheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gescheerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschoren hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoren hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschoren hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschoren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal scheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal scheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal scheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gescheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon

werkwoord

  1. bespotten, de spot drijven met, grappen maken met transitive

Vervoeging van scheren

scherenhele werkwoord — scheerdeverleden tijd enkelvoud — scheerdenverleden tijd meervoud — gescheerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik scheer scheerde
jij scheert scheerde
hij, zij, het scheert scheerde
wij scheren scheerden
jullie scheren scheerden
zij scheren scheerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
ben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschoren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschoren impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschoren impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschoren impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschoren worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschoren zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschoren worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschoren zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gescheerd verleden tijd, deelwoord
gescheerd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescheerd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoren verleden tijd, deelwoord
geschoren te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoren te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschoren te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoren te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoren te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschoren worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoren zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschoren zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoren zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschoren zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
scheer gebiedende wijs
schere aanvoegende wijs
scherend onvoltooid, deelwoord
schoor verleden tijd
te hebben geschoren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te scheren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gescheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen scheren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gescheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waart geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescheerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gescheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescheerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
waren geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gescheerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gescheerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gescheerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschoren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschoren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschoren voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschoren enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschoren enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschoren hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoren hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschoren hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschoren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschoren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal scheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal scheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal scheren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gescheerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijn geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gescheerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijt geschoren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gescheerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoren hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoren worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschoren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt scheren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gescheerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord scheer

Herkomst

erfwoord: Middelnederlands scēren (sterk) ‘schaven, schrappen, scheren’, uit Oudnederlands skeran, ontwikkeld uit Oergermaans *skeran- ‘scheren, afsnijden (o.a. van haar)’, bij Indo-Europees *(s)kerH- ‘afsnijden, afkrabben’, waartoe ook Welsh ysgaru ‘(echt)scheiden’, Litouws skìrti ‘scheiden, verdelen’, Albanees shqerr ‘afscheuren’ en Armeens kʿerel (քերել) ‘afkrabben’ behoren. Evenzo Nederduits scheren en Duits scheren ‘afsnijden, snoeien’, Fries skarre ‘scheren (wol, riet)’, Engels shear ‘wol scheren’ en Deens skære ‘snijden’.

Woordfamilie van scheren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gescheerd voltooid deelwoord scheren
gescheerde woordvorm scheren
geschoren voltooid deelwoord scheren
scheerde aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon scheren
scheerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon scheren
scheert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon scheren
schere aanvoegende wijs scheren
scherend onvoltooid deelwoord scheren
scherende woordvorm scheren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over scheren

Hoe spreek je scheren uit?
De uitspraak van scheren is: /ˈsxerə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent scheren?
Scheren is een werkwoord. Het woord betekent: met een schaar of mes de huid van haar ontdoen. Deze pagina beschrijft 9 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je scheren?
Je vervoegt scheren als volgt: de tegenwoordige tijd is scheer, de verleden tijd is scheerde en het voltooid deelwoord is gescheerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op scheren?

Scheren rijmt op 395 woorden op -eren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord scheren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

scheren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

scheren telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

scheren in het kort

scheren is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 9 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van scheren zijn 96 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort scheren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

scheren: met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
Deel scheren — standaardnederlands.nl