scheren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxerə(n)Betekenis
- met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
- zich ~: zich de baard kort afsnijden
- rakelings over een oppervlak bewegen
Hoe spreek je scheren uit?
/ˈsxerən/
Scheren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zich ~ zich ergens vandaan verwijderen, zich uit de voeten maken obsolete, reflexive
- ordenen, rangschikken transitive
- volgens een rechte lijn bijhakken/-snijden transitive
- spannen transitive
- toebedelen obsolete, transitive
Vervoeging van scheren
scherenhele werkwoord — scheerdeverleden tijd enkelvoud — scheerdenverleden tijd meervoud — gescheerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheer | scheerde |
| jij | scheert | scheerde |
| hij, zij, het | scheert | scheerde |
| wij | scheren | scheerden |
| jullie | scheren | scheerden |
| zij | scheren | scheerden |
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschoren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschoren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschoren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschoren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschoren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschoren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschoren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschoren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescheerd | verleden tijd, deelwoord |
| gescheerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoren | verleden tijd, deelwoord |
| geschoren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheer | gebiedende wijs |
| scheerde | verleden tijd |
| schere | aanvoegende wijs |
| scherend | onvoltooid, deelwoord |
| schoor | verleden tijd |
| te hebben geschoren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te scheren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gescheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gescheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gescheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gescheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gescheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gescheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal scheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gescheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
werkwoord
- bespotten, de spot drijven met, grappen maken met transitive
Vervoeging van scheren
scherenhele werkwoord — scheerdeverleden tijd enkelvoud — scheerdenverleden tijd meervoud — gescheerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheer | scheerde |
| jij | scheert | scheerde |
| hij, zij, het | scheert | scheerde |
| wij | scheren | scheerden |
| jullie | scheren | scheerden |
| zij | scheren | scheerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschoren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschoren | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschoren | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschoren | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschoren worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschoren zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschoren worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschoren zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescheerd | verleden tijd, deelwoord |
| gescheerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoren | verleden tijd, deelwoord |
| geschoren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschoren te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschoren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschoren zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschoren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheer | gebiedende wijs |
| schere | aanvoegende wijs |
| scherend | onvoltooid, deelwoord |
| schoor | verleden tijd |
| te hebben geschoren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te scheren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gescheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gescheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gescheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gescheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gescheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gescheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschoren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschoren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschoren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschoren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschoren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschoren hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschoren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal scheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gescheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gescheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijt geschoren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescheerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoren hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschoren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescheerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord scheer
Herkomst
erfwoord: Middelnederlands scēren (sterk) ‘schaven, schrappen, scheren’, uit Oudnederlands skeran, ontwikkeld uit Oergermaans *skeran- ‘scheren, afsnijden (o.a. van haar)’, bij Indo-Europees *(s)kerH- ‘afsnijden, afkrabben’, waartoe ook Welsh ysgaru ‘(echt)scheiden’, Litouws skìrti ‘scheiden, verdelen’, Albanees shqerr ‘afscheuren’ en Armeens kʿerel (քերել) ‘afkrabben’ behoren. Evenzo Nederduits scheren en Duits scheren ‘afsnijden, snoeien’, Fries skarre ‘scheren (wol, riet)’, Engels shear ‘wol scheren’ en Deens skære ‘snijden’.
Woordfamilie van scheren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescheerd | voltooid deelwoord | scheren |
| gescheerde | woordvorm | scheren |
| geschoren | voltooid deelwoord | scheren |
| scheerde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | scheren |
| scheerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | scheren |
| scheert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scheren |
| schere | aanvoegende wijs | scheren |
| scherend | onvoltooid deelwoord | scheren |
| scherende | woordvorm | scheren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheren zijn vastgelegd.