beweren
werkwoord bəˈwerə(n)Betekenis
- iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
Hoe spreek je beweren uit?
/bəˈwerən/
Beweren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| w | quiz |
| e | veel |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beweren
bewerenhele werkwoord — beweerdeverleden tijd enkelvoud — beweerdenverleden tijd meervoud — beweerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beweer | beweerde |
| jij | beweert | beweerde |
| hij, zij, het | beweert | beweerde |
| wij | beweren | beweerden |
| jullie | beweren | beweerden |
| zij | beweren | beweerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beweer | gebiedende wijs |
| beweerd | verleden tijd, deelwoord |
| beweerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beweerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beweerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beweerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beweerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beweerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beweerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beweerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beweerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beweerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beweerde | verleden tijd |
| bewere | aanvoegende wijs |
| bewerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beweerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beweerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beweerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beweerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beweerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beweerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beweerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beweerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beweerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beweren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beweerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beweren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beweren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zeggen’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van beweren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beweer | gebiedende wijs | beweren |
| beweerde | verleden tijd | beweren |
| beweerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beweren |
| beweert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beweren |
| bewere | aanvoegende wijs | beweren |
| bewerend | onvoltooid deelwoord | beweren |
| bewerende | woordvorm | beweren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beweren zijn vastgelegd.