amuseren
werkwoord amyˈzerə(n)Betekenis
- op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
- zich ~ met genoegen scheppen in een activiteit, zich vermaken
Hoe spreek je amuseren uit?
/amyˈzerən/
Amuseren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| y | fuut |
| z | zon |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van amuseren
amuserenhele werkwoord — amuseerdeverleden tijd enkelvoud — amuseerdenverleden tijd meervoud — geamuseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | amuseer | amuseerde |
| jij | amuseert | amuseerde |
| hij, zij, het | amuseert | amuseerde |
| wij | amuseren | amuseerden |
| jullie | amuseren | amuseerden |
| zij | amuseren | amuseerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| amuseer | gebiedende wijs |
| amuseer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| amuseer u/je , amuseert je | gebiedende wijs |
| amuseerde | verleden tijd |
| amuseerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| amuseerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| amuseerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| amuseerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| amuseerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| amuseerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| amuseerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| amuseerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| amuseerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| amuseerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| amuseert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| amuseert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| amuseert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| amuseert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| amuseert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| amuseert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| amusere | aanvoegende wijs |
| amusere zich | aanvoegende wijs |
| amuseren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| amuseren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| amuseren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| amuserend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geamuseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geamuseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geamuseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geamuseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geamuseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geamuseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geamuseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geamuseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geamuseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geamuseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geamuseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geamuseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geamuseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geamuseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geamuseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geamuseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geamuseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geamuseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geamuseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geamuseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geamuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geamuseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geamuseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geamuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geamuseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geamuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geamuseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te amuseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geamuseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen amuseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geamuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geamuseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geamuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geamuseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geamuseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geamuseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geamuseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geamuseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geamuseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geamuseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geamuseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geamuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geamuseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me amuseren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich amuseren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je amuseren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich amuserend | onvoltooid, deelwoord |
| zich geamuseerd hebben | verleden tijd |
| zijn geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geamuseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geamuseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geamuseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geamuseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen amuseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen amuseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vermaken’ voor het eerst aangetroffen in 1593
Woordfamilie van amuseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| amuseer | gebiedende wijs | amuseren |
| amuseerde | verleden tijd | amuseren |
| amuseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | amuseren |
| amuseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | amuseren |
| amusere | aanvoegende wijs | amuseren |
| amuserend | onvoltooid deelwoord | amuseren |
| amuserende | woordvorm | amuseren |
| geamuseerd | voltooid deelwoord | amuseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van amuseren zijn vastgelegd.