Naar de inhoud

repeteren

een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren

repeteren

werkwoord ˌrepəˈterə(n)

Betekenis

  1. een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren
  2. herhalen.
  3. zich ~: een mededeling opnieuw doen

Hoe spreek je repeteren uit?

/ˌrepəˈterən/

Repeteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌrepəˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
e veel
p pak
ə de
t tak
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van repeteren

repeterenhele werkwoord — repeteerdeverleden tijd enkelvoud — repeteerdenverleden tijd meervoud — gerepeteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik repeteer repeteerde
jij repeteert repeteerde
hij, zij, het repeteert repeteerde
wij repeteren repeteerden
jullie repeteren repeteerden
zij repeteren repeteerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gerepeteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerepeteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerepeteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerepeteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerepeteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerepeteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerepeteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerepeteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerepeteerd verleden tijd, deelwoord
gerepeteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerepeteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerepeteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerepeteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerepeteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerepeteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerepeteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerepeteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerepeteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerepeteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerepeteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerepeteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerepeteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerepeteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerepeteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerepeteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerepeteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerepeteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
repeteer gebiedende wijs
repeteer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
repeteer u/je , repeteert je gebiedende wijs
repeteerde verleden tijd
repeteerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
repeteerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
repeteerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
repeteerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
repeteerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
repeteerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
repeteerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
repeteerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
repeteerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
repeteerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
repeteert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
repeteert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
repeteert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
repeteert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
repeteert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
repeteert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
repetere aanvoegende wijs
repetere zich aanvoegende wijs
repeteren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
repeteren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
repeteren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
repeterend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerepeteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te repeteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen repeteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gerepeteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerepeteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gerepeteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerepeteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gerepeteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gerepeteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gerepeteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gerepeteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gerepeteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerepeteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerepeteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gerepeteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerepeteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me repeteren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal repeteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal repeteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal repeteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich repeteren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je repeteren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gerepeteerd hebben verleden tijd
zich repeterend onvoltooid, deelwoord
zijn gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gerepeteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerepeteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerepeteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt repeteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerepeteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerepeteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerepeteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerepeteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘herhalen’ voor het eerst aangetroffen in 1437

Woordfamilie van repeteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerepeteerd voltooid deelwoord repeteren
gerepeteerde woordvorm repeteren
repeteer gebiedende wijs repeteren
repeteerde verleden tijd repeteren
repeteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon repeteren
repeteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon repeteren
repetere aanvoegende wijs repeteren
repeterend onvoltooid deelwoord repeteren
repeterende woordvorm repeteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van repeteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over repeteren

Hoe spreek je repeteren uit?
De uitspraak van repeteren is: /ˌrepəˈterə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent repeteren?
Repeteren is een werkwoord. Het woord betekent: een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je repeteren?
Je vervoegt repeteren als volgt: de tegenwoordige tijd is repeteer, de verleden tijd is repeteerde en het voltooid deelwoord is gerepeteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op repeteren?

Op repeteren rijmen 395 woorden, onder andere abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord repeteren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. P 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

repeteren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. P 4
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

repeteren in het kort

repeteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van repeteren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort repeteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

repeteren: een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren
Deel repeteren — standaardnederlands.nl