knippen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met een schaar (uit)snijden
- een klikkend geluid met de vingers maken
- een bewerking waarbij een uitgekozen hoeveelheid informatie van de ene plek verwijderd wordt, meestal om haar op een andere plek te kunnen plakken
- een knijpende beweging maken, in het bijzonder met het oog
Vervoeging van knippen
knippenhele werkwoord — knipteverleden tijd enkelvoud — kniptenverleden tijd meervoud — gekniptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knip | knipte |
| jij | knipt | knipte |
| hij, zij, het | knipt | knipte |
| wij | knippen | knipten |
| jullie | knippen | knipten |
| zij | knippen | knipten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geknipt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geknipt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geknipt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geknipt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geknipt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geknipt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geknipt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geknipt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknipt | verleden tijd, deelwoord |
| geknipt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknipt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknipt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknipt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknipt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknipt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knip | gebiedende wijs |
| knippe | aanvoegende wijs |
| knippend | onvoltooid, deelwoord |
| knipte | verleden tijd |
| te hebben geknipt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knippen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknipt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knippen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knippen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknipt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knippen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knip
Herkomst
In de betekenis van ‘met een schaar snijden’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van knippen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knippe | aanvoegende wijs | knippen |
| knippend | onvoltooid deelwoord | knippen |
| knippende | woordvorm | knippen |
| knipt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knippen |
| knipte | verleden tijd | knippen |
| knipten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knippen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knippen zijn vastgelegd.