Onvoltooid deelwoord: vorming, gebruik en voorbeelden
Het onvoltooid deelwoord is de werkwoordsvorm met een d aan het eind, zoals lopend, zingend en gaand. Op deze pagina leggen we uit hoe je die vorm maakt, waar je hem in een zin gebruikt en hoe hij zich verhoudt tot het voltooid deelwoord. Met voorbeelden zie je het verschil in betekenis.
Door Maarten Soetens
Zo vorm je het onvoltooid deelwoord
Het onvoltooid deelwoord laat zien dat een handeling bezig is. Je maakt het door een d achter de infinitief te zetten. Van lopen maak je lopend, van zingen maak je zingend en van lachen maak je lachend. Er is dus geen regel nodig voor t of d, zoals bij het voltooid deelwoord. Het is altijd een d.
Eindigt de infinitief op een enkele n, dan zet je ook daar de d achter: gaan wordt gaand, staan wordt staand en zien wordt ziend. Het werkwoord zijn heeft de bijzondere vorm zijnde.
Het onvoltooid deelwoord is geen persoonsvorm en kan dus niet alleen het gezegde van een zin vormen. In de plaats daarvan vervult het meestal een van deze rollen:
- bijvoeglijk naamwoord: de spelende kinderen;
- bijwoord of bijwoordelijke bepaling: Hij kwam lachend binnen;
- zelfstandig naamwoord: de reizende, de wachtenden.
Het onvoltooid deelwoord is vooral gebruikelijk in geschreven taal en in vaste combinaties, zoals de lopende zaken en de dienstdoende arts. In spreektaal gebruik je vaak liever een bijzin.
In oudere grammatica’s heet dit ook wel het tegenwoordig deelwoord. De naam onvoltooid deelwoord zegt wat het doet: de handeling is nog niet af. Dat is het tegenovergestelde van het voltooid deelwoord, dat juist een afgeronde handeling aangeeft. Vergelijk de slapende hond (de hond slaapt nu) met de gesloten deur (de deur is dicht).
Voorbeelden van onvoltooide deelwoorden
Hieronder staan zinnen met een onvoltooid deelwoord. De uitleg laat zien welke rol het woord in de zin heeft.
- De spelende kinderen maken veel lawaai. Spelende beschrijft de kinderen en werkt als bijvoeglijk naamwoord; het kind speelt op dat moment.
- Ze kwam zingend de trap af. Zingend zegt hoe ze kwam; het deelwoord werkt hier als bijwoordelijke bepaling en blijft ongewijzigd.
- Een slapend kind moet je niet wakker maken. Voor een het-woord met een staat er geen extra -e, dus slapend.
- De wachtenden kregen koffie. Het deelwoord is hier zelfstandig gebruikt en slaat op de mensen die wachten.
- De lopende band staat stil. Dit is een vaste combinatie; lopende hoort bij het de-woord band en krijgt daarom een -e.
- Hij zat lezend op de bank. Lezend beschrijft wat hij tegelijk deed; het deelwoord is hier een bijwoordelijke bepaling.
- De stijgende prijzen baren zorgen. Stijgende hoort bij het meervoud prijzen en krijgt daarom een -e; de prijzen blijven stijgen.
- Het kokende water sist in de pan. Na het krijgt het deelwoord altijd een -e, ook bij een het-woord.
Je ziet dat het deelwoord steeds iets beschrijft dat tegelijk met de rest van de zin gebeurt. Dat verschilt van het voltooid deelwoord, waarbij de handeling al klaar is.
Het onvoltooid deelwoord in de zin
Het onvoltooid deelwoord kun je op twee manieren in een zin gebruiken. Staat het voor een zelfstandig naamwoord, dan werkt het als bijvoeglijk naamwoord en gelden dezelfde regels voor de uitgang -e. Bij een de-woord krijgt het een -e: de lachende man. Bij een het-woord zonder lidwoord of met een blijft die weg: een slapend kind. Met het of dit krijgt het wel een -e: het slapende kind.
Staat het onvoltooid deelwoord los in de zin, dan geeft het meestal de wijze of de omstandigheid aan: Hij liep fluitend naar huis. Het krijgt dan nooit een extra uitgang.
Let op de plaats van het deelwoord. Het hoort bij het onderwerp, tenzij je iets anders bedoelt. In Fietsend naar huis begon het te regenen hoort het deelwoord bij het, terwijl je bedoelt dat jij fietste. Zeg dan liever: Terwijl ik naar huis fietste, begon het te regenen.
Een deelwoord kan zinsdelen bij zich hebben, zoals in de op de bank slapende hond. Zulke lange constructies lezen zwaar. De hond die op de bank slaapt is lichter.
Gebruik het onvoltooid deelwoord niet te vaak. Veel bijzinnen zijn leesbaarder dan lange rijen deelwoorden: de man die staat te wachten leest vaak prettiger dan de wachtende man in een lange zin.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een onvoltooid en een voltooid deelwoord?
Het onvoltooid deelwoord geeft aan dat een handeling bezig is, het voltooid deelwoord dat ze klaar is. Vergelijk de bakkende bakker met de gebakken vis. De eerste bakt nu, de tweede is al klaar. Het onvoltooid deelwoord vorm je met de infinitief plus d, het voltooid deelwoord meestal met ge- en -t, -d of -en.
Krijgt het onvoltooid deelwoord altijd een d aan het eind?
Ja, het onvoltooid deelwoord schrijf je altijd met een d aan het eind, nooit met een t. Je hoort aan het eind vaak een t, maar de spelling blijft hetzelfde. Zo schrijf je lopend, zingend en gaand. Voor een de-woord komt er een e bij, zoals in de lopende band. Voor een het-woord met een niet: een lopend vuurtje.
Mag je een onvoltooid deelwoord zelfstandig gebruiken?
Ja, dat mag. Dan gebruik je het deelwoord als zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld de wachtenden of de reizende. Het slaat dan op mensen of dingen die de handeling uitvoeren. Zulke vormen komen vooral in formele teksten voor. In gewone taal gebruik je vaak liever een bijzin, zoals de mensen die wachten. Beide manieren zijn correct.