beren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈberə(n)Betekenis
- schuld maken
- (Surinaams) geslachtsgemeenschap hebben
- (West-Vlaams) kneden
- dragen
Hoe spreek je beren uit?
/ˈberən/
Beren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- schreeuwen unergative
Vervoeging van beren
berenhele werkwoord — beerdeverleden tijd enkelvoud — beerdenverleden tijd meervoud — gebeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beer | beerde |
| jij | beert | beerde |
| hij, zij, het | beert | beerde |
| wij | beren | beerden |
| jullie | beren | beerden |
| zij | beren | beerden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [A] beren | canonical |
| beer | gebiedende wijs |
| beerde | verleden tijd |
| ben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bere | aanvoegende wijs |
| berend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
werkwoord
- schulden maken unergative
Vervoeging van beren
berenhele werkwoord — beerdeverleden tijd enkelvoud — beerdenverleden tijd meervoud — gebeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beer | beerde |
| jij | beert | beerde |
| hij, zij, het | beert | beerde |
| wij | beren | beerden |
| jullie | beren | beerden |
| zij | beren | beerden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [B] beren | canonical |
| beer | gebiedende wijs |
| beerde | verleden tijd |
| ben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bere | aanvoegende wijs |
| berend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
werkwoord
- bemesten transitive
Vervoeging van beren
berenhele werkwoord — beerdeverleden tijd enkelvoud — beerdenverleden tijd meervoud — gebeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beer | beerde |
| jij | beert | beerde |
| hij, zij, het | beert | beerde |
| wij | beren | beerden |
| jullie | beren | beerden |
| zij | beren | beerden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [C] beren | canonical |
| beer | gebiedende wijs |
| beerde | verleden tijd |
| ben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bere | aanvoegende wijs |
| berend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
werkwoord
- geslachtsgemeenschap hebben
- slaan Early-Modern-Dutch, transitive
Vervoeging van beren
berenhele werkwoord — beerdeverleden tijd enkelvoud — beerdenverleden tijd meervoud — gebeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beer | beerde |
| jij | beert | beerde |
| hij, zij, het | beert | beerde |
| wij | beren | beerden |
| jullie | beren | beerden |
| zij | beren | beerden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [D] beren | canonical |
| beer | gebiedende wijs |
| beerde | verleden tijd |
| ben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bere | aanvoegende wijs |
| berend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berennen
- gebiedende wijs van berennen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van berennen
Vervoeging van beren
berenhele werkwoord — beerdeverleden tijd enkelvoud — beerdenverleden tijd meervoud — gebeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beer | beerde |
| jij | beert | beerde |
| hij, zij, het | beert | beerde |
| wij | beren | beerden |
| jullie | beren | beerden |
| zij | beren | beerden |
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| [E] berèn | canonical |
| beer | gebiedende wijs |
| beerde | verleden tijd |
| ben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bere | aanvoegende wijs |
| berend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord — plural
- een familie Ursidae van roofdieren (Carnivora). Beren maken deel uit van de Caniformia, waartoe onder andere ook de hondachtigen worden gerekend. De familie telt acht moderne soorten, verdeeld over vijf geslachten. De meeste beren zijn groot en log van gestalte, hebben stevige, korte ledematen en een kleine staart
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beer
Woordfamilie van beren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beerde | verleden tijd | beren |
| beerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beren |
| beert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beren |
| bere | aanvoegende wijs | beren |
| gebeerd | voltooid deelwoord | beren |
| gebeerde | woordvorm | beren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beren zijn vastgelegd.