scheer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een kleine nauwelijks uit de zee oprijzende rots of klein eiland
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- steen, papier, schaar
- een lichaamsdeel van een dier, bijv. een krabbenscheer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scheertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| scheertjes | verkleinwoord, meervoud |
| scheren | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheren
- gebiedende wijs van scheren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van scheren
Vervoeging van scheer
scheerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Oudnoords, in de betekenis van ‘rotseilandje’ voor het eerst aangetroffen in 1617
Woordfamilie van scheer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheertje | verkleinwoord | scheer |
| scheertjes | verkleinwoord meervoud | scheer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheer zijn vastgelegd.