Werkwoord: soorten en uitleg met voorbeelden
Een werkwoord beschrijft een handeling, een gebeurtenis of een toestand. Het vertelt in een zin wat er gebeurt, zoals lopen, eten, slapen of zijn. In ik fiets naar school is fiets het werkwoord, want het zegt wat ik doe. Het werkwoord verandert mee met het onderwerp en met de tijd. Hieronder lees je welke soorten er zijn en hoe je ze herkent.
Door Maarten Soetens
De vormen van het werkwoord, zwak en sterk
Een werkwoord heeft een aantal vaste vormen. De infinitief is de basisvorm, zoals lopen, eten of slapen. De tegenwoordige tijd gebruik je voor nu, zoals ik loop of jij loopt. De verleden tijd vertelt wat er gebeurde, zoals ik liep. Het voltooid deelwoord hoort bij de voltooide tijden, zoals gelopen in ik ben gelopen. Hoe de verleden tijd en het voltooid deelwoord worden gemaakt, bepaalt tot welke soort het werkwoord hoort.
Zwakke werkwoorden, ook wel regelmatige werkwoorden genoemd, maken de verleden tijd met een -te of -de achter de stam. Werken wordt werkte, en leven wordt leefde. Het voltooid deelwoord krijgt ge- voor de stam en -t of -d erachter. Dat wordt gewerkt en geleefd. Deze groep is de grootste en heeft een duidelijke regel, waardoor de meeste nieuwe werkwoorden zwak worden.
Sterke werkwoorden, ook wel onregelmatige werkwoorden, veranderen de klinker in de verleden tijd. Lopen wordt liep, en zingen wordt zong. Het voltooid deelwoord eindigt vaak op -en: gelopen en gezongen. Er is geen vaste regel voor deze vormen, dus je moet ze van buiten leren. Wie de lijst met sterke werkwoorden kent, maakt er zelden een fout mee. Sterke werkwoorden komen in het dagelijks taalgebruik juist vaak voor, dus het loont om ze te oefenen.
Elke soort in een zin
Hieronder staat per soort een zin. Het werkwoord in elke zin is cursief gedrukt, zodat je ziet welke vorm het heeft.
- Zwak werkwoord: Ik werkte gisteren lang. Werken krijgt in de verleden tijd een -te.
- Sterk werkwoord: Hij liep naar huis. De klinker verandert, en er komt geen -te of -de.
- Hulpwerkwoord: Zij heeft het boek gelezen. Hebben helpt om de voltooide tijd te maken.
- Modaal hulpwerkwoord: Wij moeten vroeg vertrekken. Moeten staat samen met het werkwoord vertrekken in de infinitief.
- Koppelwerkwoord: Dat plan lijkt goed. Lijken verbindt het onderwerp met het naamwoordelijk deel van het gezegde.
- Transitief werkwoord: Ik kook de soep. De soep is het lijdend voorwerp, dus het werkwoord is transitief.
- Intransitief werkwoord: De kinderen spelen buiten. Er is geen lijdend voorwerp, dus het werkwoord is intransitief.
Met deze zinnen zie je dat één werkwoord in verschillende rollen kan optreden. Het werkwoord zijn of hebben kan zowel hulpwerkwoord als gewoon werkwoord zijn. Let daarom altijd op de zin als geheel. Probeer zelf een zin te maken per soort en controleer of je de vorm goed hebt. Zo went het oog snel aan de verschillende rollen. Schrijf je later zelf een tekst, kijk dan naar de vorm van elk werkwoord en vraag jezelf af tot welke soort het hoort. Dat is de snelste manier om de regels te onthouden.
Hulp-, modale en koppelwerkwoorden
Zijn, hebben en worden vormen een aparte groep, de hulpwerkwoorden. Ze helpen bij andere werkwoorden om tijden en de lijdende vorm te maken. Met hebben en zijn maak je de voltooide tijd: ik heb gegeten, ik ben gegaan. Met worden maak je de lijdende vorm: het boek wordt gelezen. Ze kunnen ook zelfstandig staan, zoals in ik heb een fiets en ik ben moe. Dan is het een gewoon werkwoord.
Modale hulpwerkwoorden geven aan hoe je iets bedoelt. Tot die groep horen kunnen, moeten, willen, mogen, zullen en durven. Ze staan bijna altijd samen met een ander werkwoord in de infinitief, zoals ik wil komen of jij moet werken. Dat andere werkwoord staat dan achteraan in de zin, en zonder dat werkwoord is de zin vaak onvolledig.
Koppelwerkwoorden verbinden het onderwerp met een deel van de zin dat iets over het onderwerp zegt. De belangrijkste zijn zijn, worden, blijven en lijken. In het huis is groot verbindt zijn het huis met groot. Hij wordt leraar laat zien dat het onderwerp een nieuwe rol krijgt. Zij blijft stil is een vergelijkbare zin. Het deel na het koppelwerkwoord heet het naamwoordelijk deel van het gezegde, en dat kan een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord zijn.
Veelgestelde vragen
Hoeveel soorten werkwoorden zijn er?
Er is geen vaste telling, want schoolboeken delen werkwoorden op verschillende manieren in. De meest gebruikte indeling onderscheidt zwakke en sterke werkwoorden, hulpwerkwoorden, modale werkwoorden en koppelwerkwoorden. Daarnaast bestaan indelingen naar transitief en intransitief, en naar scheidbaar en onscheidbaar. Welke indeling je gebruikt, hangt af van wat je wilt weten. Voor het schrijven van correcte vormen is de indeling naar zwak en sterk het meest bruikbaar.
Wat is het verschil tussen zwakke en sterke werkwoorden?
Zwakke werkwoorden vormen de verleden tijd met een -te of -de, zoals werkte. Sterke werkwoorden veranderen de klinker, zoals liep of zong. Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden krijgt ge- en -t of -d, terwijl dat bij sterke werkwoorden vaak -en is. Zwakke werkwoorden volgen dus een vaste regel. Sterke werkwoorden moet je per werkwoord leren.
Wat is de lijdende vorm?
In de lijdende vorm staat het ding of de persoon die de handeling ondergaat als onderwerp. Het boek wordt gelezen is de lijdende vorm van ik lees het boek. Je maakt de lijdende vorm met worden en het voltooid deelwoord. De lijdende vorm wordt vaak gebruikt als de handelaar niet belangrijk is of onbekend. Zo kun je het verschil meestal zien aan de zin als geheel.