Naar de inhoud

assisteren

een helpende hand bieden

assisteren

werkwoord /ˌɑsɪsˈteːrə(n)/

Betekenis

  1. een helpende hand bieden

Hoe spreek je assisteren uit?

/ˌɑsɪsˈterən/

Assisteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌɑsɪsˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
s sok
ɪ pit
t tak
e veel
r rood
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van assisteren

assisterenhele werkwoord — assisteerdeverleden tijd enkelvoud — assisteerdenverleden tijd meervoud — geassisteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik assisteer assisteerde
jij assisteert assisteerde
hij, zij, het assisteert assisteerde
wij assisteren assisteerden
jullie assisteren assisteerden
zij assisteren assisteerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
assisteer gebiedende wijs
assisteerde verleden tijd
assistere aanvoegende wijs
assisterend onvoltooid, deelwoord
er is geassisteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geassisteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geassisteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geassisteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geassisteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geassisteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geassisteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geassisteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geassisteerd verleden tijd, deelwoord
geassisteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geassisteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geassisteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geassisteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geassisteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geassisteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geassisteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geassisteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geassisteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geassisteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geassisteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te assisteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geassisteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen assisteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt assisteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geassisteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen assisteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult assisteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geassisteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bijstaan’ voor het eerst aangetroffen in 1496

Woordfamilie van assisteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
assisteer gebiedende wijs assisteren
assisteerde verleden tijd assisteren
assisteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon assisteren
assisteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon assisteren
assistere aanvoegende wijs assisteren
assisterend onvoltooid deelwoord assisteren
assisterende woordvorm assisteren
geassisteerd voltooid deelwoord assisteren
geassisteerde woordvorm assisteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van assisteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over assisteren

Hoe spreek je assisteren uit?
De uitspraak van assisteren is: /ˌɑsɪsˈteːrə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent assisteren?
Assisteren is een werkwoord. Het woord betekent: een helpende hand bieden.
Hoe vervoeg je assisteren?
Je vervoegt assisteren als volgt: de tegenwoordige tijd is assisteer, de verleden tijd is assisteerde en het voltooid deelwoord is geassisteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op assisteren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op assisteren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord assisteren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. S 2
  3. S 2
  4. I 1
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

assisteren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. S 2
  3. S 2
  4. I 2
  5. S 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

assisteren in het kort

assisteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van assisteren zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort assisteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

assisteren: een helpende hand bieden
Deel assisteren — standaardnederlands.nl