Naar de inhoud

pipetteren

met een pipet vloeistof overbrengen

pipetteren

werkwoord ˌpipɛˈterə(n)

Betekenis

  1. met een pipet vloeistof overbrengen

Hoe spreek je pipetteren uit?

/ˌpipɛˈterən/

Pipetteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌpipɛˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
i riet
ɛ bed
t tak
e veel
r rood
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van pipetteren

pipetterenhele werkwoord — pipetteerdeverleden tijd enkelvoud — pipetteerdenverleden tijd meervoud — gepipetteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pipetteer pipetteerde
jij pipetteert pipetteerde
hij, zij, het pipetteert pipetteerde
wij pipetteren pipetteerden
jullie pipetteren pipetteerden
zij pipetteren pipetteerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gepipetteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepipetteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepipetteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepipetteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepipetteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepipetteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepipetteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepipetteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepipetteerd verleden tijd, deelwoord
gepipetteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepipetteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepipetteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepipetteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepipetteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepipetteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepipetteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepipetteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepipetteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepipetteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepipetteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pipetteer gebiedende wijs
pipetteerde verleden tijd
pipettere aanvoegende wijs
pipetterend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepipetteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pipetteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pipetteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepipetteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pipetteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepipetteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pipetteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van pipetteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepipetteerd voltooid deelwoord pipetteren
gepipetteerde woordvorm pipetteren
pipetteer gebiedende wijs pipetteren
pipetteerde verleden tijd pipetteren
pipetteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pipetteren
pipetteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pipetteren
pipettere aanvoegende wijs pipetteren
pipetterend onvoltooid deelwoord pipetteren
pipetterende woordvorm pipetteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pipetteren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over pipetteren

Hoe spreek je pipetteren uit?
De uitspraak van pipetteren is: /ˌpipɛˈterə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent pipetteren?
Pipetteren is een werkwoord. Het woord betekent: met een pipet vloeistof overbrengen.
Hoe vervoeg je pipetteren?
Je vervoegt pipetteren als volgt: de tegenwoordige tijd is pipetteer, de verleden tijd is pipetteerde en het voltooid deelwoord is gepipetteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op pipetteren?

Op pipetteren rijmen 395 woorden, onder andere abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pipetteren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. I 1
  3. P 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pipetteren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. I 2
  3. P 4
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pipetteren in het kort

pipetteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van pipetteren zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort pipetteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

pipetteren: met een pipet vloeistof overbrengen
Deel pipetteren — standaardnederlands.nl