biologeren
werkwoord ˌbijoloˈɣerə(n)Betekenis
- door een fascinerende eigenschap de volledige aandacht opeisen
Hoe spreek je biologeren uit?
/ˌbijoloˈxerən/
Biologeren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| i | riet |
| j | ja |
| o | boot |
| l | land |
| x | acht |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van biologeren
biologerenhele werkwoord — biologeerdeverleden tijd enkelvoud — biologeerdenverleden tijd meervoud — gebiologeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | biologeer | biologeerde |
| jij | biologeert | biologeerde |
| hij, zij, het | biologeert | biologeerde |
| wij | biologeren | biologeerden |
| jullie | biologeren | biologeerden |
| zij | biologeren | biologeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| biologeer | gebiedende wijs |
| biologeerde | verleden tijd |
| biologere | aanvoegende wijs |
| biologerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebiologeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebiologeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebiologeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebiologeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebiologeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebiologeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebiologeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebiologeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebiologeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebiologeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebiologeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebiologeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebiologeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebiologeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebiologeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebiologeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebiologeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebiologeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebiologeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebiologeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te biologeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebiologeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen biologeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebiologeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebiologeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebiologeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebiologeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebiologeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebiologeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebiologeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen biologeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gebiologeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebiologeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebiologeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult biologeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebiologeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebiologeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gebiologeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘onder zijn invloed brengen, hypnotiseren’ voor het eerst aangetroffen in 1866
Woordfamilie van biologeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biologeer | gebiedende wijs | biologeren |
| biologeerde | verleden tijd | biologeren |
| biologeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | biologeren |
| biologeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | biologeren |
| biologere | aanvoegende wijs | biologeren |
| biologerend | onvoltooid deelwoord | biologeren |
| biologerende | woordvorm | biologeren |
| gebiologeerd | voltooid deelwoord | biologeren |
| gebiologeerde | woordvorm | biologeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biologeren zijn vastgelegd.