solliciteren
werkwoord ˌsɔlisiˈterə(n)Betekenis
- naar een baan dingen
Hoe spreek je solliciteren uit?
/ˌsɔlisiˈterən/
Solliciteren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɔ | bot |
| l | land |
| i | riet |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van solliciteren
solliciterenhele werkwoord — solliciteerdeverleden tijd enkelvoud — solliciteerdenverleden tijd meervoud — gesolliciteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | solliciteer | solliciteerde |
| jij | solliciteert | solliciteerde |
| hij, zij, het | solliciteert | solliciteerde |
| wij | solliciteren | solliciteerden |
| jullie | solliciteren | solliciteerden |
| zij | solliciteren | solliciteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesolliciteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesolliciteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesolliciteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesolliciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesolliciteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesolliciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| solliciteer | gebiedende wijs |
| solliciteerde | verleden tijd |
| sollicitere | aanvoegende wijs |
| solliciterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesolliciteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te solliciteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen solliciteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesolliciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen solliciteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesolliciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult solliciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘naar een betrekking dingen’ voor het eerst aangetroffen in 1617
Woordfamilie van solliciteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesolliciteerd | voltooid deelwoord | solliciteren |
| solliciteer | gebiedende wijs | solliciteren |
| solliciteerde | verleden tijd | solliciteren |
| solliciteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | solliciteren |
| solliciteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | solliciteren |
| sollicitere | aanvoegende wijs | solliciteren |
| solliciterend | onvoltooid deelwoord | solliciteren |
| solliciterende | woordvorm | solliciteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van solliciteren zijn vastgelegd.