alarmeren
werkwoord /ɑlɑr'merən/Betekenis
- door alarm oproepen of bijeenroepen
- in opschudding brengen
Hoe spreek je alarmeren uit?
/ɑlɑrˈmerən/
Alarmeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| r | rood |
| m | maan |
| e | veel |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van alarmeren
alarmerenhele werkwoord — alarmeerdeverleden tijd enkelvoud — alarmeerdenverleden tijd meervoud — gealarmeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | alarmeer | alarmeerde |
| jij | alarmeert | alarmeerde |
| hij, zij, het | alarmeert | alarmeerde |
| wij | alarmeren | alarmeerden |
| jullie | alarmeren | alarmeerden |
| zij | alarmeren | alarmeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| alarmeer | gebiedende wijs |
| alarmeerde | verleden tijd |
| alarmere | aanvoegende wijs |
| alarmerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gealarmeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gealarmeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gealarmeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gealarmeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gealarmeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gealarmeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gealarmeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gealarmeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gealarmeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gealarmeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gealarmeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gealarmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealarmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gealarmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te alarmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gealarmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen alarmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gealarmeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen alarmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult alarmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gealarmeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Van het Franse alarmer met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van alarmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alarmeer | gebiedende wijs | alarmeren |
| alarmeerde | verleden tijd | alarmeren |
| alarmeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | alarmeren |
| alarmeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | alarmeren |
| alarmere | aanvoegende wijs | alarmeren |
| gealarmeerd | voltooid deelwoord | alarmeren |
| gealarmeerde | woordvorm | alarmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alarmeren zijn vastgelegd.