Naar de inhoud

kalmeren

kalm worden

kalmeren

werkwoord kɑlˈmerə(n)

Betekenis

  1. kalm worden
  2. kalm maken
  3. zich ~ : zich kalmeren

Hoe spreek je kalmeren uit?

/kɑlˈmerən/

Kalmeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /kɑlˈmerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
ɑ bad
l land
m maan
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. zich ~: zich kalmeren reflexive

Vervoeging van kalmeren

kalmerenhele werkwoord — kalmeerdeverleden tijd enkelvoud — kalmeerdenverleden tijd meervoud — gekalmeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kalmeer kalmeerde
jij kalmeert kalmeerde
hij, zij, het kalmeert kalmeerde
wij kalmeren kalmeerden
jullie kalmeren kalmeerden
zij kalmeren kalmeerden
Alle 133 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gekalmeerd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gekalmeerd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gekalmeerd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gekalmeerd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gekalmeerd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gekalmeerd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gekalmeerd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gekalmeerd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekalmeerd verleden tijd, deelwoord
gekalmeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekalmeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekalmeerd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekalmeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekalmeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekalmeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekalmeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekalmeerd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekalmeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekalmeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gekalmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kalmeer gebiedende wijs
kalmeer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
kalmeer u/je , kalmeert je gebiedende wijs
kalmeerde verleden tijd
kalmeerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
kalmeerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
kalmeerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
kalmeerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
kalmeerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
kalmeerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
kalmeerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
kalmeerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
kalmeerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
kalmeerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
kalmeert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
kalmeert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
kalmeert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
kalmeert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
kalmeert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
kalmeert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
kalmere aanvoegende wijs
kalmere zich aanvoegende wijs
kalmeren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
kalmeren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
kalmeren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
kalmerend onvoltooid, deelwoord
te hebben/zijn gekalmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te kalmeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kalmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gekalmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekalmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gekalmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekalmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gekalmeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gekalmeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gekalmeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gekalmeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gekalmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekalmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me kalmeren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich kalmeren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je kalmeren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gekalmeerd hebben verleden tijd
zich kalmerend onvoltooid, deelwoord
zijn gekalmeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gekalmeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekalmeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekalmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekalmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekalmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je kalmeren tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen kalmeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ons kalmeren eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich kalmeren derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult gekalmeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekalmeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kalmeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult u kalmeren tweede persoon
zult u kalmeren tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u kalmeren tweede persoon
zult zich/u kalmeren tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

afgeleid van het Franse calmer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van kalmeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekalmeerd voltooid deelwoord kalmeren
gekalmeerde woordvorm kalmeren
kalmeer gebiedende wijs kalmeren
kalmeerde verleden tijd kalmeren
kalmeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kalmeren
kalmeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kalmeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kalmeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over kalmeren

Hoe spreek ik kalmeren uit?
Zo spreek je kalmeren uit: /kɑlˈmerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van kalmeren?
Kalmeren is een werkwoord. De betekenis is: kalm worden. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik kalmeren?
Zo vervoeg je kalmeren zo: de tegenwoordige tijd is kalmeer, de verleden tijd is kalmeerde en het voltooid deelwoord is gekalmeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op kalmeren?

Kalmeren rijmt op 395 woorden op -eren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kalmeren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. A 1
  3. L 3
  4. M 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kalmeren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. A 1
  3. L 3
  4. M 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kalmeren in het kort

kalmeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van kalmeren staan er 91 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort kalmeren bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

kalmeren: kalm worden
Deel kalmeren — standaardnederlands.nl