Naar de inhoud

imiteren

doen wat iemand anders doet

imiteren

werkwoord /ˌimiˈterən/

Betekenis

  1. doen wat iemand anders doet

Hoe spreek je imiteren uit?

/ˌimiˈterən/

Imiteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌimiˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
i riet
m maan
t tak
e veel
r rood
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van imiteren

imiterenhele werkwoord — imiteerdeverleden tijd enkelvoud — imiteerdenverleden tijd meervoud — geïmiteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik imiteer imiteerde
jij imiteert imiteerde
hij, zij, het imiteert imiteerde
wij imiteren imiteerden
jullie imiteren imiteerden
zij imiteren imiteerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geïmiteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïmiteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïmiteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïmiteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïmiteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïmiteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïmiteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïmiteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïmiteerd verleden tijd, deelwoord
geïmiteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïmiteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïmiteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïmiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïmiteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïmiteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïmiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïmiteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïmiteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmiteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmiteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
imiteer gebiedende wijs
imiteerde verleden tijd
imitere aanvoegende wijs
imiterend onvoltooid, deelwoord
te hebben geïmiteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te imiteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen imiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïmiteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt imiteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen imiteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïmiteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult imiteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘navolgen’ voor het eerst aangetroffen in 1669

Woordfamilie van imiteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïmiteerd voltooid deelwoord imiteren
geïmiteerde woordvorm imiteren
imiteer gebiedende wijs imiteren
imiteerde verleden tijd imiteren
imiteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon imiteren
imiteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon imiteren
imitere aanvoegende wijs imiteren
imiterend onvoltooid deelwoord imiteren
imiterende woordvorm imiteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van imiteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over imiteren

Hoe spreek ik imiteren uit?
Zo spreek je imiteren uit: /ˌimiˈterən/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van imiteren?
Imiteren is een werkwoord. De betekenis is: doen wat iemand anders doet.
Hoe vervoeg ik imiteren?
Zo vervoeg je imiteren zo: de tegenwoordige tijd is imiteer, de verleden tijd is imiteerde en het voltooid deelwoord is geïmiteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op imiteren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op imiteren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord imiteren is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. M 3
  3. I 1
  4. T 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

imiteren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. M 3
  3. I 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

imiteren in het kort

imiteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van imiteren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort imiteren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

imiteren: doen wat iemand anders doet
Deel imiteren — standaardnederlands.nl