Naar de inhoud

Infinitief van een werkwoord: uitleg en voorbeelden

De infinitief is het hele werkwoord, zoals je het in het woordenboek vindt, bijvoorbeeld lopen, werken of zijn. Op deze pagina leggen we duidelijk uit hoe je de infinitief herkent, hoe je daaruit de stam haalt en hoe je de infinitief in een zin gebruikt, met en zonder het woordje te.

Door

Wat de infinitief is

De infinitief is de vorm van het werkwoord waarin het niet verandert met het onderwerp of de tijd. Je noemt hem ook wel het hele werkwoord. Het is de vorm die in het woordenboek staat: lopen, werken, zijn. De infinitief eindigt meestal op -en. Een paar werkwoorden eindigen op alleen -n, zoals gaan, staan, slaan, doen, zien en zijn.

De infinitief is geen persoonsvorm. In Ik wil lopen is wil de persoonsvorm en lopen de infinitief. Een infinitief staat vaak achter een persoonsvorm, bijvoorbeeld bij kunnen, willen of gaan, of na het woordje te.

Een handig trucje om de infinitief te vinden: zet wij voor het werkwoord. In de tegenwoordige tijd is de meervoudsvorm gelijk aan de infinitief: wij lopen, wij werken, wij zijn. Dat werkt bij alle werkwoorden.

De infinitief is ook de vorm waarmee je een werkwoord opzoekt. Een vorm als liep of gelopen vind je in het woordenboek bij lopen. Wil je een onbekend werkwoord opzoeken, dan moet je dus eerst de infinitief bedenken.

De stam vind je door -en van de infinitief af te halen. Van lopen blijft lop over, maar omdat er dan een klinker verandert in de spelling, schrijf je loop. Zo hoort werk bij werken en speel bij spelen. Uit de stam maak je de vormen voor de tegenwoordige tijd: ik loop, jij loopt.

Voorbeelden van infinitieven

In deze zinnen staat een infinitief. Let op de combinaties met andere werkwoorden.

  • Ik kan goed zwemmen. Zwemmen is de infinitief en kan is de persoonsvorm; samen vormen ze het gezegde.
  • Wij gaan morgen naar het strand fietsen. De persoonsvorm is gaan en fietsen is de infinitief.
  • Zij probeert vroeg te slapen. Hier staat een infinitief met te, een zogenoemde te-infinitief.
  • Lopen is gezond. De infinitief is hier onderwerp van de zin; je kunt er ook het voor zetten: het lopen.
  • Hij is te moe om verder te rijden. Na om staat een infinitief met te, het gebruikelijke patroon.
  • Hij zag de bus komen. Na een waarnemingswerkwoord als zien staat de infinitief komen zonder te.
  • Zij laat ons lang wachten. Wachten is de infinitief na laat, ook zonder te.
  • Het is verboden hier te roken. De te-infinitief te roken zegt wat er verboden is.
  • Ik hoop je snel te zien. Na hoop staat de te-infinitief te zien; de persoonsvorm is hoop.
  • Wij blijven wachten. Na blijven staat wachten zonder te, als infinitief bij hetzelfde gezegde.
  • Het kind heeft niet willen eten. Twee infinitieven achter elkaar, willen en eten, na het hulpwerkwoord heeft.

In al deze zinnen blijft de infinitief hetzelfde, terwijl de persoonsvorm meeverandert met het onderwerp: ik kan, wij kunnen. Zo zie je meteen wat de infinitief is en wat niet.

Met of zonder te?

In veel zinnen staat de infinitief zonder te, in andere met. Het is een kwestie van gewoonte per werkwoord, maar er zijn wel vaste groepen.

Zonder te staat de infinitief na onder andere:

  • modale werkwoorden: kunnen, willen, moeten, mogen, zullen: Ik moet gaan;
  • de werkwoorden laten en gaan: Zij laat hem komen, Wij gaan eten;
  • waarnemingswerkwoorden als zien, horen en voelen: Ik hoor haar zingen.

Met te staat de infinitief onder andere na:

  • werkwoorden als proberen, beginnen, durven en vergeten: Hij begint te schreeuwen;
  • om, zonder en door: Ze loopt weg zonder iets te zeggen;
  • werkwoorden als blijken en schijnen: Hij schijnt te slapen.

Bij een scheidbaar werkwoord komt te tussen de delen: op te bellen, mee te nemen.

De infinitief met te staat vaak aan het eind van de zin of van een deel van de zin: Hij besloot het huis te verkopen. Hij hoort dan bij het werkwoord besloot. Veel zinnen met om te geven een doel aan: Ze spaart om te kunnen reizen.

In de voltooide tijd gebruik je bij modale werkwoorden en bij laten, zien en horen geen voltooid deelwoord, maar een infinitief: Ik heb het niet kunnen doen en Ik heb haar horen zingen. Dat heet een vervangende infinitief.

Twijfel je? Zoek het werkwoord op in een woordenboek. Daar staat vaak vermeld of er te bij hoort.

Veelgestelde vragen

Is de infinitief hetzelfde als de stam?

Nee, de infinitief en de stam zijn niet hetzelfde. De infinitief is het hele werkwoord, zoals werken. De stam is wat overblijft als je -en weghaalt, dus werk. De stam gebruik je om de persoonsvormen te maken, bijvoorbeeld ik werk en hij werkt. In de spelling kan de stam iets anders worden dan het begin van de infinitief, zoals loop bij lopen.

Hoe herken ik een infinitief in een zin?

Een infinitief is een werkwoord dat niet verandert als je het onderwerp of de tijd wijzigt. Je herkent hem vaak aan het eind van het gezegde, achter een persoonsvorm. In Wij willen dansen is dansen de infinitief. Zet je de zin in het enkelvoud, dan wordt het Ik wil dansen. Alleen de persoonsvorm verandert, de infinitief blijft hetzelfde.

Mag een infinitief ook als zelfstandig naamwoord dienen?

Ja, dat mag. Je kunt een infinitief als zelfstandig naamwoord gebruiken, meestal met het erbij: het lopen, het zwemmen. Zo’n woord is altijd een het-woord. Soms staat er geen lidwoord bij, zoals in Lopen is gezond. Het werkwoord heeft hier de rol van onderwerp. De vorm zelf verandert niet.