renoveren
werkwoord /rənoˈverə(n)/Betekenis
- opknappen, repareren, vernieuwen
Hoe spreek je renoveren uit?
/rənoˈverən/
Renoveren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| o | boot |
| v | vis |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van renoveren
renoverenhele werkwoord — renoveerdeverleden tijd enkelvoud — renoveerdenverleden tijd meervoud — gerenoveerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | renoveer | renoveerde |
| jij | renoveert | renoveerde |
| hij, zij, het | renoveert | renoveerde |
| wij | renoveren | renoveerden |
| jullie | renoveren | renoveerden |
| zij | renoveren | renoveerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerenoveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerenoveerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerenoveerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerenoveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerenoveerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerenoveerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerenoveerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerenoveerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerenoveerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerenoveerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerenoveerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerenoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerenoveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerenoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| renoveer | gebiedende wijs |
| renoveerde | verleden tijd |
| renovere | aanvoegende wijs |
| renoverend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerenoveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te renoveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen renoveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerenoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen renoveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerenoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult renoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vernieuwen’ voor het eerst aangetroffen in 1522
Woordfamilie van renoveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerenoveerd | voltooid deelwoord | renoveren |
| gerenoveerde | woordvorm | renoveren |
| renoveer | gebiedende wijs | renoveren |
| renoveerde | verleden tijd | renoveren |
| renoveerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | renoveren |
| renoveert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | renoveren |
| renovere | aanvoegende wijs | renoveren |
| renoverend | onvoltooid deelwoord | renoveren |
| renoverende | woordvorm | renoveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van renoveren zijn vastgelegd.