voeteren
werkwoord /vuˈterə(n)/Betekenis
- te voet gaan.
- te voet ergens heen gaan.
Hoe spreek je voeteren uit?
/vuˈterən/
Voeteren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| u | boek |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voeteren
voeterenhele werkwoord — voeteerdeverleden tijd enkelvoud — voeteerdenverleden tijd meervoud — gevoeteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voeteer | voeteerde |
| jij | voeteert | voeteerde |
| hij, zij, het | voeteert | voeteerde |
| wij | voeteren | voeteerden |
| jullie | voeteren | voeteerden |
| zij | voeteren | voeteerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevoeteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevoeteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevoeteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevoeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevoeteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevoeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevoeteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te voeteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voeteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voeteer | gebiedende wijs |
| voeteerde | verleden tijd |
| voetere | aanvoegende wijs |
| voeterend | onvoltooid, deelwoord |
| voetéren | canonical |
| zal gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevoeteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voeteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevoeteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voeteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van voet met het achtervoegsel -eren, dat ontstaan is uit de infinitief van Franse leenwoorden maar in sommige gevallen ook aan erfwoorden gehecht wordt.
Woordfamilie van voeteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevoeteerd | voltooid deelwoord | voeteren |
| gevoeteerde | woordvorm | voeteren |
| voeteer | gebiedende wijs | voeteren |
| voeteerde | verleden tijd | voeteren |
| voeteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voeteren |
| voeteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voeteren |
| voetere | aanvoegende wijs | voeteren |
| voeterend | onvoltooid deelwoord | voeteren |
| voeterende | woordvorm | voeteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voeteren zijn vastgelegd.