Naar de inhoud

afstuderen

het succesvol afmaken van een studie, m.n. in het hoger onderwijs

afstuderen

werkwoord ˈɑfstyˌderə(n)

Betekenis

  1. het succesvol afmaken van een studie, m.n. in het hoger onderwijs

Hoe spreek je afstuderen uit?

/ˈɑfstyˌderən/

Afstuderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfstyˌderən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
t tak
y fuut
d dak
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van afstuderen

afstuderenhele werkwoord — studeerde afverleden tijd enkelvoud — studeerden afverleden tijd meervoud — afgestudeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik studeer af studeerde af
jij studeert af studeerde af
hij, zij, het studeert af studeerde af
wij studeren af studeerden af
jullie studeren af studeerden af
zij studeren af studeerden af
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te studeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen studeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal studeren bijzin, toekomende tijd
af zou studeren bijzin, voorwaardelijk
af zouden studeren bijzin, voorwaardelijk
af zoudt studeren bijzin, voorwaardelijk
af zullen studeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen studeren bijzin, toekomende tijd
af zult studeren bijzin, toekomende tijd
afgestudeerd verleden tijd, deelwoord
afgestudeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgestudeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afstudeer bijzin, tegenwoordige tijd
afstudeerde bijzin, verleden tijd
afstudeerden bijzin, verleden tijd
afstudeert bijzin, tegenwoordige tijd
afstuderend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had afgestudeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgestudeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgestudeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgestudeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgestudeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgestudeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgestudeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestudeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgestudeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
studeer af gebiedende wijs
studeerde af verleden tijd
te hebben afgestudeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afstuderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afstuderen bijzin, toekomende tijd
zou afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afstuderen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afstuderen af zou(dt) studeren bijzin, voorwaardelijk
zouden afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afstuderen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgestudeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afstuderen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afstuderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afstuderen bijzin, toekomende tijd
zult afgestudeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afstuderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afstuderen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afstuderen af zult/zal studeren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en studeren ww

Woordfamilie van afstuderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afstudeer subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstuderen
afstudeerde subordinate-clause, verleden tijd afstuderen
afstudeerden subordinate-clause, verleden tijd afstuderen
afstudeert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afstuderen
afstudere with-subordinate-clause afstuderen
afstuderend onvoltooid deelwoord afstuderen
studeer af gebiedende wijs afstuderen
studeerde af verleden tijd afstuderen
studeerden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afstuderen
studeert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afstuderen
studere af woordvorm afstuderen
studeren af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afstuderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstuderen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afstuderen

Hoe spreek ik afstuderen uit?
Zo spreek je afstuderen uit: /ˈɑfstyˌderə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van afstuderen?
Afstuderen is een werkwoord. De betekenis is: het succesvol afmaken van een studie, m.n. in het hoger onderwijs.
Hoe vervoeg ik afstuderen?
Zo vervoeg je afstuderen zo: het voltooid deelwoord is afgestudeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op afstuderen?

In dit woordenboek rijmen 395 woorden op -eren op afstuderen, zoals abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afstuderen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. U 4
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afstuderen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. U 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afstuderen in het kort

afstuderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afstuderen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afstuderen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afstuderen: het succesvol afmaken van een studie, m.n. in het hoger onderwijs
Deel afstuderen — standaardnederlands.nl