exploderen
werkwoord ˌɛksploˈderə(n)Betekenis
- door een schei- of natuurkundige reactie bijzonder snel en met een grote kracht uiteenspatten
Hoe spreek je exploderen uit?
/ˌɛksploˈderən/
Exploderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
| p | pak |
| l | land |
| o | boot |
| d | dak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- door een scheikundige of natuurkundige reactie bijzonder snel en met een grote kracht uiteenspatten ergative
Vervoeging van exploderen
exploderenhele werkwoord — explodeerdeverleden tijd enkelvoud — explodeerdenverleden tijd meervoud — geëxplodeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | explodeer | explodeerde |
| jij | explodeert | explodeerde |
| hij, zij, het | explodeert | explodeerde |
| wij | exploderen | explodeerden |
| jullie | exploderen | explodeerden |
| zij | exploderen | explodeerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| explodeer | gebiedende wijs |
| explodeerde | verleden tijd |
| explodere | aanvoegende wijs |
| exploderend | onvoltooid, deelwoord |
| geëxplodeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëxplodeerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëxplodeerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te exploderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geëxplodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen exploderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëxplodeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëxplodeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëxplodeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëxplodeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen exploderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult exploderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëxplodeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontploffen’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van exploderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| explodeer | gebiedende wijs | exploderen |
| explodeerde | verleden tijd | exploderen |
| explodeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | exploderen |
| explodeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | exploderen |
| explodere | aanvoegende wijs | exploderen |
| exploderend | onvoltooid deelwoord | exploderen |
| exploderende | woordvorm | exploderen |
| geëxplodeerd | voltooid deelwoord | exploderen |
| geëxplodeerde | woordvorm | exploderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van exploderen zijn vastgelegd.