leren
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈlerə(n)Betekenis
- van leer vervaardigd
- kennis of vaardigheid verwerven
- kennis of vaardigheid doen verwerven
Hoe spreek je leren uit?
/ˈlerən/
Leren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (alleen | onverbogen, stellende trap |
| attributief) | onverbogen, stellende trap |
Vervoeging van leren
lerenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord leer
Herkomst
In de betekenis van ‘kennis verwerven, onderrichten’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van leren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leerde | woordvorm | leren |
| leerden | woordvorm | leren |
| leert | woordvorm | leren |
| lere | woordvorm | leren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leren zijn vastgelegd.