Naar de inhoud

corrigeren

iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren

corrigeren

werkwoord ˌkɔriˈʒerə(n)

Betekenis

  1. iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren
  2. terechtwijzen, straffen

Hoe spreek je corrigeren uit?

/ˌkɔriˈʒerən/

Corrigeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌkɔriˈʒerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
ɔ bot
r rood
i riet
ʒ journaal
e veel
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van corrigeren

corrigerenhele werkwoord — corrigeerdeverleden tijd enkelvoud — corrigeerdenverleden tijd meervoud — gecorrigeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik corrigeer corrigeerde
jij corrigeert corrigeerde
hij, zij, het corrigeert corrigeerde
wij corrigeren corrigeerden
jullie corrigeren corrigeerden
zij corrigeren corrigeerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
corrigeer gebiedende wijs
corrigeerde verleden tijd
corrigere aanvoegende wijs
corrigerend onvoltooid, deelwoord
er is gecorrigeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecorrigeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecorrigeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecorrigeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecorrigeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecorrigeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecorrigeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecorrigeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecorrigeerd verleden tijd, deelwoord
gecorrigeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecorrigeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecorrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecorrigeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecorrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te corrigeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecorrigeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen corrigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecorrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen corrigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult corrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecorrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verbeteren’ voor het eerst aangetroffen in 1276

Woordfamilie van corrigeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
corrigeer gebiedende wijs corrigeren
corrigeerde verleden tijd corrigeren
corrigeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon corrigeren
corrigeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon corrigeren
corrigere aanvoegende wijs corrigeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van corrigeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over corrigeren

Hoe spreek ik corrigeren uit?
Zo spreek je corrigeren uit: /ˌkɔriˈʒerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van corrigeren?
Corrigeren is een werkwoord. De betekenis is: iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik corrigeren?
Zo vervoeg je corrigeren zo: de tegenwoordige tijd is corrigeer, de verleden tijd is corrigeerde en het voltooid deelwoord is gecorrigeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op corrigeren?

Corrigeren rijmt op 395 woorden op -eren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord corrigeren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. I 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

corrigeren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. I 2
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

corrigeren in het kort

corrigeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van corrigeren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort corrigeren bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

corrigeren: iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren
Deel corrigeren — standaardnederlands.nl