afweren
werkwoord /ɑfˈwerə(n)/Betekenis
- een aanval neutraliseren
Hoe spreek je afweren uit?
/ɑfˈwerən/
Afweren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| w | quiz |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afweren
afwerenhele werkwoord — weerde afverleden tijd enkelvoud — weerden afverleden tijd meervoud — afgeweerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weer af | weerde af |
| jij | weert af | weerde af |
| hij, zij, het | weert af | weerde af |
| wij | weren af | weerden af |
| jullie | weren af | weerden af |
| zij | weren af | weerden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te weren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen weren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal weren | bijzin, toekomende tijd |
| af zou weren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden weren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt weren | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen weren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen weren | bijzin, toekomende tijd |
| af zult weren | bijzin, toekomende tijd |
| afgeweerd | verleden tijd, deelwoord |
| afgeweerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgeweerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgeweerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgeweerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afweer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afweerde | bijzin, verleden tijd |
| afweerden | bijzin, verleden tijd |
| afweert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgeweerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeweerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeweerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeweerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeweerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeweerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeweerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeweerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgeweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgeweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgeweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgeweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgeweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgeweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weer af | gebiedende wijs |
| weerde af | verleden tijd |
| werd afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgeweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgeweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afweren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgeweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afweren af zou(dt) weren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgeweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afweren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgeweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgeweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afweren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afweren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afweren | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af en weren
Woordfamilie van afweren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeweerd | voltooid deelwoord | afweren |
| afgeweerde | woordvorm | afweren |
| afweerde | subordinate-clause, verleden tijd | afweren |
| afweerden | subordinate-clause, verleden tijd | afweren |
| afweert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afweren |
| afwere | with-subordinate-clause | afweren |
| weer af | gebiedende wijs | afweren |
| weerde af | verleden tijd | afweren |
| weerden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afweren |
| weert af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afweren |
| were af | woordvorm | afweren |
| weren af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afweren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afweren zijn vastgelegd.