gekscheren
werkwoordBetekenis
- de draak met iets steken, een grap maken
werkwoord
- . de draak met iets steken, een grap maken unergative
Vervoeging van gekscheren
gekscherenhele werkwoord — gekscheerdeverleden tijd enkelvoud — gekscheerdenverleden tijd meervoud — gegekscheerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gekscheer | gekscheerde |
| jij | gekscheert | gekscheerde |
| hij, zij, het | gekscheert | gekscheerde |
| wij | gekscheren | gekscheerden |
| jullie | gekscheren | gekscheerden |
| zij | gekscheren | gekscheerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegekscheerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegekscheerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegekscheerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekscheer | gebiedende wijs |
| gekscheerde | verleden tijd |
| gekschere | aanvoegende wijs |
| gekscherend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegekscheerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegekscheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegekscheerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gekscheren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegekscheerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gekscheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegekscheerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekscheren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegekscheerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekscheren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘spotten’ voor het eerst aangetroffen in 1701
Woordfamilie van gekscheren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegekscheerd | voltooid deelwoord | gekscheren |
| gekscheer | gebiedende wijs | gekscheren |
| gekscheerde | verleden tijd | gekscheren |
| gekscheerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gekscheren |
| gekscheert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gekscheren |
| gekschere | aanvoegende wijs | gekscheren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gekscheren zijn vastgelegd.