Naar de inhoud

fotograferen

een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag

fotograferen

werkwoord ˌfotoɣraˈferə(n)

Betekenis

  1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag

Hoe spreek je fotograferen uit?

/ˌfotoxraˈferən/

Fotograferen bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.

De tekens in /ˌfotoxraˈferən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
f fiets
o boot
t tak
x acht
r rood
a maan
e veel
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van fotograferen

fotograferenhele werkwoord — fotografeerdeverleden tijd enkelvoud — fotografeerdenverleden tijd meervoud — gefotografeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fotografeer fotografeerde
jij fotografeert fotografeerde
hij, zij, het fotografeert fotografeerde
wij fotograferen fotografeerden
jullie fotograferen fotografeerden
zij fotograferen fotografeerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gefotografeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gefotografeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gefotografeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gefotografeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gefotografeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gefotografeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gefotografeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gefotografeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
fotografeer gebiedende wijs
fotografeerde verleden tijd
fotografere aanvoegende wijs
fotograferend onvoltooid, deelwoord
gefotografeerd verleden tijd, deelwoord
gefotografeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gefotografeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gefotografeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gefotografeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gefotografeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gefotografeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gefotografeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gefotografeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gefotografeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefotografeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gefotografeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te fotograferen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gefotografeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen fotograferen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gefotografeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen fotograferen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult fotograferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gefotografeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse photographier met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van fotograferen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fotografeer gebiedende wijs fotograferen
fotografeerde verleden tijd fotograferen
fotografeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon fotograferen
fotografeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon fotograferen
fotografere aanvoegende wijs fotograferen
fotograferend onvoltooid deelwoord fotograferen
fotograferende woordvorm fotograferen
gefotografeerd voltooid deelwoord fotograferen
gefotografeerde woordvorm fotograferen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fotograferen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over fotograferen

Hoe spreek ik fotograferen uit?
Zo spreek je fotograferen uit: /ˌfotoɣraˈferə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van fotograferen?
Fotograferen is een werkwoord. De betekenis is: een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag.
Hoe vervoeg ik fotograferen?
Zo vervoeg je fotograferen zo: de tegenwoordige tijd is fotografeer, de verleden tijd is fotografeerde en het voltooid deelwoord is gefotografeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op fotograferen?

Fotograferen rijmt op 395 woorden op -eren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord fotograferen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. F 4
  2. O 1
  3. T 2
  4. O 1
  5. G 3
  6. R 2
  7. A 1
  8. F 4
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

fotograferen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. F 4
  2. O 1
  3. T 2
  4. O 1
  5. G 3
  6. R 2
  7. A 1
  8. F 4
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

fotograferen in het kort

fotograferen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van fotograferen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort fotograferen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

fotograferen: een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
Deel fotograferen — standaardnederlands.nl