balloteren
werkwoord /bɑlɔ'terə(n)/Betekenis
- stemmen over iemands toelating bij een sociëteit of vereniging
- het heen en weer bewegen van een voorwerp in een vloeistof
- (België) herstemmen
Hoe spreek je balloteren uit?
/bɑlɔˈterən/
Balloteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ɔ | bot |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- herstemmen unergative
Vervoeging van balloteren
balloterenhele werkwoord — balloteerdeverleden tijd enkelvoud — balloteerdenverleden tijd meervoud — geballoteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | balloteer | balloteerde |
| jij | balloteert | balloteerde |
| hij, zij, het | balloteert | balloteerde |
| wij | balloteren | balloteerden |
| jullie | balloteren | balloteerden |
| zij | balloteren | balloteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| balloteer | gebiedende wijs |
| balloteerde | verleden tijd |
| ballotere | aanvoegende wijs |
| balloterend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geballoteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geballoteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geballoteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geballoteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geballoteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geballoteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geballoteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geballoteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geballoteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geballoteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geballoteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geballoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te balloteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geballoteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen balloteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geballoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen balloteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult balloteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geballoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stemmen over toelating als lid’ voor het eerst aangetroffen in 1808
Woordfamilie van balloteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| balloteer | gebiedende wijs | balloteren |
| balloteerde | verleden tijd | balloteren |
| balloteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | balloteren |
| balloteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | balloteren |
| ballotere | aanvoegende wijs | balloteren |
| balloterend | onvoltooid deelwoord | balloteren |
| balloterende | woordvorm | balloteren |
| geballoteerd | voltooid deelwoord | balloteren |
| geballoteerde | woordvorm | balloteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van balloteren zijn vastgelegd.