schoor
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een steunbalk die onder of tegen iets geplaatst is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schoortjes | verkleinwoord, meervoud |
| schoren | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van scheren
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoren
- gebiedende wijs van schoren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoren
Vervoeging van schoor
schoorhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘steunbalk’ voor het eerst aangetroffen in 1343
Woordfamilie van schoor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schoortje | verkleinwoord | schoor |
| schoortjes | verkleinwoord meervoud | schoor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schoor zijn vastgelegd.