opwaarderen
werkwoord ˈɔpwarˌderə(n)Betekenis
- verbeteren, bijwerken
- een hogere waarde aan geven
- (bij voorbetaald telefoneren) nieuw beltegoed activeren.
Hoe spreek je opwaarderen uit?
/ˈɔpwarˌderən/
Opwaarderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| w | quiz |
| a | maan |
| r | rood |
| d | dak |
| e | veel |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- nieuw beltegoed activeren.
Vervoeging van opwaarderen
opwaarderenhele werkwoord — waardeerde opverleden tijd enkelvoud — waardeerden opverleden tijd meervoud — opgewaardeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | waardeer op | waardeerde op |
| jij | waardeert op | waardeerde op |
| hij, zij, het | waardeert op | waardeerde op |
| wij | waarderen op | waardeerden op |
| jullie | waarderen op | waardeerden op |
| zij | waarderen op | waardeerden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgewaardeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgewaardeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgewaardeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgewaardeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgewaardeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgewaardeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgewaardeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgewaardeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewaardeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te waarderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen waarderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal waarderen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou waarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden waarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt waarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen waarderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen waarderen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult waarderen | bijzin, toekomende tijd |
| opgewaardeerd | verleden tijd, deelwoord |
| opgewaardeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgewaardeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgewaardeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewaardeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewaardeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewaardeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgewaardeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgewaardeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgewaardeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgewaardeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opwaardeer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwaardeerde | bijzin, verleden tijd |
| opwaardeerden | bijzin, verleden tijd |
| opwaardeert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwaarderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgewaardeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opwaarderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waardeer op | gebiedende wijs |
| waardeerde op | verleden tijd |
| waart opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgewaardeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgewaardeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgewaardeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewaardeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opwaarderen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgewaardeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opwaarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opwaarderen op zou(dt) waarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opwaarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgewaardeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgewaardeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opwaarderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgewaardeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgewaardeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgewaardeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgewaardeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opwaarderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opwaarderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opwaarderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgewaardeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en waarderen
Woordfamilie van opwaarderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgewaardeerd | voltooid deelwoord | opwaarderen |
| opgewaardeerde | woordvorm | opwaarderen |
| opwaardeer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwaarderen |
| opwaardeerde | subordinate-clause, verleden tijd | opwaarderen |
| opwaardeerden | subordinate-clause, verleden tijd | opwaarderen |
| opwaardeert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwaarderen |
| opwaardere | with-subordinate-clause | opwaarderen |
| opwaarderend | onvoltooid deelwoord | opwaarderen |
| opwaarderende | woordvorm | opwaarderen |
| waardeer op | gebiedende wijs | opwaarderen |
| waardeerde op | verleden tijd | opwaarderen |
| waardeerden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opwaarderen |
| waardeert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opwaarderen |
| waardere op | woordvorm | opwaarderen |
| waarderen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opwaarderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwaarderen zijn vastgelegd.