Naar de inhoud

opwaarderen

verbeteren, bijwerken

opwaarderen

werkwoord ˈɔpwarˌderə(n)

Betekenis

  1. verbeteren, bijwerken
  2. een hogere waarde aan geven
  3. (bij voorbetaald telefoneren) nieuw beltegoed activeren.

Hoe spreek je opwaarderen uit?

/ˈɔpwarˌderən/

Opwaarderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpwarˌderən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
w quiz
a maan
r rood
d dak
e veel
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

werkwoord

  1. nieuw beltegoed activeren.

Vervoeging van opwaarderen

opwaarderenhele werkwoord — waardeerde opverleden tijd enkelvoud — waardeerden opverleden tijd meervoud — opgewaardeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik waardeer op waardeerde op
jij waardeert op waardeerde op
hij, zij, het waardeert op waardeerde op
wij waarderen op waardeerden op
jullie waarderen op waardeerden op
zij waarderen op waardeerden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgewaardeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgewaardeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgewaardeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgewaardeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgewaardeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgewaardeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgewaardeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgewaardeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewaardeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te waarderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen waarderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal waarderen bijzin, toekomende tijd
op zou waarderen bijzin, voorwaardelijk
op zouden waarderen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt waarderen bijzin, voorwaardelijk
op zullen waarderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen waarderen bijzin, toekomende tijd
op zult waarderen bijzin, toekomende tijd
opgewaardeerd verleden tijd, deelwoord
opgewaardeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgewaardeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgewaardeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewaardeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewaardeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewaardeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgewaardeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgewaardeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgewaardeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgewaardeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opwaardeer bijzin, tegenwoordige tijd
opwaardeerde bijzin, verleden tijd
opwaardeerden bijzin, verleden tijd
opwaardeert bijzin, tegenwoordige tijd
opwaarderend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgewaardeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opwaarderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waardeer op gebiedende wijs
waardeerde op verleden tijd
waart opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgewaardeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgewaardeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgewaardeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewaardeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opwaarderen bijzin, toekomende tijd
zijn opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgewaardeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opwaarderen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opwaarderen op zou(dt) waarderen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opwaarderen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgewaardeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgewaardeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opwaarderen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgewaardeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgewaardeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgewaardeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgewaardeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opwaarderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opwaarderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opwaarderen bijzin, toekomende tijd
zult opgewaardeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en waarderen

Woordfamilie van opwaarderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgewaardeerd voltooid deelwoord opwaarderen
opgewaardeerde woordvorm opwaarderen
opwaardeer subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwaarderen
opwaardeerde subordinate-clause, verleden tijd opwaarderen
opwaardeerden subordinate-clause, verleden tijd opwaarderen
opwaardeert subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwaarderen
opwaardere with-subordinate-clause opwaarderen
opwaarderend onvoltooid deelwoord opwaarderen
opwaarderende woordvorm opwaarderen
waardeer op gebiedende wijs opwaarderen
waardeerde op verleden tijd opwaarderen
waardeerden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opwaarderen
waardeert op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opwaarderen
waardere op woordvorm opwaarderen
waarderen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opwaarderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwaarderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opwaarderen

Hoe spreek ik opwaarderen uit?
Zo spreek je opwaarderen uit: /ˈɔpwarˌderə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opwaarderen?
Opwaarderen is een werkwoord. De betekenis is: verbeteren, bijwerken. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opwaarderen?
Zo vervoeg je opwaarderen zo: het voltooid deelwoord is opgewaardeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op opwaarderen?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op opwaarderen rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opwaarderen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. W 5
  4. A 1
  5. A 1
  6. R 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opwaarderen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. W 5
  4. A 1
  5. A 1
  6. R 2
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opwaarderen in het kort

opwaarderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opwaarderen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opwaarderen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opwaarderen: verbeteren, bijwerken
Deel opwaarderen — standaardnederlands.nl