Naar de inhoud

deponeren

weggooien, plaatsen

deponeren

werkwoord /ˌdepoˈneːrə(n)/

Betekenis

  1. weggooien, plaatsen
  2. registreren zodat het niet door een ander gebruikt kan worden

Hoe spreek je deponeren uit?

/ˌdepoˈnerən/

Deponeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌdepoˈnerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
d dak
e veel
p pak
o boot
n nek
r rood
ə de
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van deponeren

deponerenhele werkwoord — deponeerdeverleden tijd enkelvoud — deponeerdenverleden tijd meervoud — gedeponeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik deponeer deponeerde
jij deponeert deponeerde
hij, zij, het deponeert deponeerde
wij deponeren deponeerden
jullie deponeren deponeerden
zij deponeren deponeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
deponeer gebiedende wijs
deponeerde verleden tijd
deponere aanvoegende wijs
deponerend onvoltooid, deelwoord
er is gedeponeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gedeponeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gedeponeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gedeponeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gedeponeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gedeponeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gedeponeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gedeponeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gedeponeerd verleden tijd, deelwoord
gedeponeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedeponeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gedeponeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeponeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeponeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gedeponeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedeponeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gedeponeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedeponeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gedeponeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gedeponeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gedeponeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gedeponeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gedeponeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gedeponeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gedeponeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gedeponeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeponeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te deponeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gedeponeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen deponeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gedeponeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedeponeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gedeponeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gedeponeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gedeponeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gedeponeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gedeponeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gedeponeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gedeponeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gedeponeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gedeponeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt deponeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gedeponeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gedeponeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen deponeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gedeponeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gedeponeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gedeponeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult deponeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gedeponeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedeponeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gedeponeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘neerleggen, in bewaring geven’ voor het eerst aangetroffen in 1495

Woordfamilie van deponeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deponeer gebiedende wijs deponeren
deponeerde verleden tijd deponeren
deponeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon deponeren
deponeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon deponeren
deponere aanvoegende wijs deponeren
deponerend onvoltooid deelwoord deponeren
deponerende woordvorm deponeren
gedeponeerd voltooid deelwoord deponeren
gedeponeerde woordvorm deponeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deponeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over deponeren

Hoe spreek ik deponeren uit?
Zo spreek je deponeren uit: /ˌdepoˈneːrə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van deponeren?
Deponeren is een werkwoord. De betekenis is: weggooien, plaatsen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik deponeren?
Zo vervoeg je deponeren zo: de tegenwoordige tijd is deponeer, de verleden tijd is deponeerde en het voltooid deelwoord is gedeponeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op deponeren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op deponeren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord deponeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. E 1
  3. P 3
  4. O 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

deponeren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. E 1
  3. P 4
  4. O 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

deponeren in het kort

deponeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van deponeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort deponeren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

deponeren: weggooien, plaatsen
Deel deponeren — standaardnederlands.nl