installeren
werkwoord ˌɪnstɑˈlerə(n)Betekenis
- in een positie brengen waarin voortaan een bepaalde functie kan worden vervuld
- een computerprogramma op de computer zetten en voor gebruik gereedmaken
- plaatsen van toestellen, het daarop aansluiten van geleidingen zodat een praktisch bruikbare inrichting wordt verkregen
- zich gereed maken om ergens te verblijven
Hoe spreek je installeren uit?
/ˌɪnstɑˈlerən/
Installeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van installeren
installerenhele werkwoord — installeerdeverleden tijd enkelvoud — installeerdenverleden tijd meervoud — geïnstalleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | installeer | installeerde |
| jij | installeert | installeerde |
| hij, zij, het | installeert | installeerde |
| wij | installeren | installeerden |
| jullie | installeren | installeerden |
| zij | installeren | installeerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnstalleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnstalleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnstalleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnstalleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnstalleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnstalleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnstalleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnstalleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnstalleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnstalleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnstalleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnstalleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnstalleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnstalleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnstalleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnstalleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnstalleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnstalleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnstalleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnstalleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| installeer | gebiedende wijs |
| installeer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| installeer u/je , installeert je | gebiedende wijs |
| installeerde | verleden tijd |
| installeerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| installeerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| installeerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| installeerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| installeerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| installeerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| installeerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| installeerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| installeerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| installeerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| installeert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| installeert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| installeert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| installeert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| installeert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| installeert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| installere | aanvoegende wijs |
| installere zich | aanvoegende wijs |
| installeren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| installeren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| installeren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| installerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnstalleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te installeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen installeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnstalleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnstalleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnstalleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnstalleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnstalleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnstalleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnstalleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal installeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal installeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal installeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me installeren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich installeren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je installeren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geïnstalleerd hebben | verleden tijd |
| zich installerend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnstalleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnstalleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnstalleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt installeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnstalleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnstalleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnstalleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnstalleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
van Frans installer (met het achtervoegsel -eren), in de betekenis van ‘inrichten, bevestigen (in een ambt)’ voor het eerst aangetroffen in 1691
Woordfamilie van installeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnstalleerd | voltooid deelwoord | installeren |
| geïnstalleerde | woordvorm | installeren |
| installeer | gebiedende wijs | installeren |
| installeerde | verleden tijd | installeren |
| installeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | installeren |
| installeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | installeren |
| installere | aanvoegende wijs | installeren |
| installerend | onvoltooid deelwoord | installeren |
| installerende | woordvorm | installeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van installeren zijn vastgelegd.