smeren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsmerə(n)Betekenis
- met een zachte massa bestrijken
- de wrijving tussen bewegende delen verminderen met een olie of vet
- omkopen, (met geld) corrumperen
- m ~ snel weggaan, wegvluchten
Hoe spreek je smeren uit?
/ˈsmerən/
Smeren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| m | maan |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- met een zachte, eetbare massa bestrijken; m.n. van sneetjes brood transitive
- een smerende werking hebben intransitive
Vervoeging van smeren
smerenhele werkwoord — smeerdeverleden tijd enkelvoud — smeerdenverleden tijd meervoud — gesmeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smeer | smeerde |
| jij | smeert | smeerde |
| hij, zij, het | smeert | smeerde |
| wij | smeren | smeerden |
| jullie | smeren | smeerden |
| zij | smeren | smeerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesmeerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gesmeerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gesmeerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gesmeerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gesmeerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gesmeerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gesmeerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gesmeerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesmeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesmeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesmeerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesmeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesmeerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesmeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesmeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gesmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smeer | gebiedende wijs |
| smeerde | verleden tijd |
| smere | aanvoegende wijs |
| smerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gesmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesmeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesmeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesmeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesmeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesmeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesmeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesmeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesmeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesmeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesmeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesmeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesmeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord smeer
Herkomst
In de betekenis van ‘met een vettige stof bestrijken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van smeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmeerd | voltooid deelwoord | smeren |
| smeerde | verleden tijd | smeren |
| smeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smeren |
| smeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smeren |
| smere | aanvoegende wijs | smeren |
| smerend | onvoltooid deelwoord | smeren |
| smerende | woordvorm | smeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smeren zijn vastgelegd.