Spreekwoorden en gezegden
150 spreekwoorden en 208 gezegden, elk met de betekenis, een uitleg over wanneer je het gebruikt en waar mogelijk de herkomst.
Op onderwerp
Wijsheid, gedrag en levensles
127 stuks
Taal en communicatie
41 stuks
Werk en inspanning
36 stuks
Relaties en gemeenschap
30 stuks
Strijd, gevaar en risico
29 stuks
Geld en bezit
19 stuks
Tijd
15 stuks
Status en maatschappij
14 stuks
Lichaam en gezondheid
10 stuks
Religie en moraal
9 stuks
Geluk en lot
8 stuks
Familie en afkomst
6 stuks
Uiterlijk en schijn
6 stuks
Eten en drinken
5 stuks
Natuur en weer
3 stuks
Alle spreekwoorden en gezegden
A 30
Aan de bel trekken.
Aan het eind van zijn Latijn zijn.
Aan je laars lappen.
Adel verplicht.
Advocaat van de duivel spelen.
Al doende leert men.
Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.
Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel.
Al te goed is buurmans gek.
Alle waar is naar zijn geld.
Alle wegen leiden naar Rome.
Als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen.
Als de berg niet naar Mohammed komt dan moet Mohammed naar de berg komen.
Als de ene hand de andere wast, worden ze beide schoon.
Als de kat van huis is, dansen de muizen.
Als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen.
Als een dief in de nacht.
Als een kip zonder kop.
Als een lopend vuurtje.
Als een paal boven water staan.
Als er één schaap over de dam is, volgen er meer.
Als het kalf verdronken is, dempt men de put.
Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje.
Als warme broodjes over de toonbank gaan.
Altijd op hetzelfde aambeeld slaan.
Angst is een slechte raadgever.
Appels met peren vergelijken.
April doet wat ie wil.
Aprilletje zoet, heeft nog weleens een witte hoed.
Arbeid adelt.
B 13
Baat het niet, het schaadt ook niet.
Bakzeil halen.
Belofte maakt schuld.
Bergen kunnen verzetten.
Beter een half ei, dan een lege dop.
Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht.
Beter laat dan nooit.
Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
Bezint eer ge begint.
Bij de buren is het gras altijd groener.
Blaffende honden bijten niet.
Boontje komt om zijn loontje.
Boter bij de vis.
D 70
Dat gaat me boven de pet.
Dat ging van een leien dakje.
Dat is de aard van het beestje.
Dat is de druppel die de emmer doet overlopen.
Dat is een brug te ver.
Dat is koren op zijn molen.
Dat is lood om oud ijzer.
Dat is mosterd na de maaltijd.
Dat is niet in de haak.
Dat is schering en inslag.
Dat is zo vast als een huis.
Dat slaat als een tang op een varken.
Dat snijdt geen hout.
Dat was een eitje.
De aanhouder wint.
De aanval is de beste verdediging.
De alfa en de omega.
De appel valt niet ver van de boom.
De augiasstal reinigen.
De baard in de keel krijgen.
De beer is los.
De benen nemen.
De beste stuurlui staan aan wal.
De bloemetjes buiten zetten.
De boer op gaan.
De boot missen.
De druppel die de emmer doet overlopen.
De duvelstoejager.
De eerste klap is een daalder waard.
De handen uit de mouwen steken.
De heilige graal.
De kat uit de boom kijken.
De kleren maken de man.
De knoop doorhakken.
De koe bij de horens vatten.
De koek is op.
De kogel is door de kerk.
De kost gaat de baat vooruit.
De krenten uit de pap halen.
De kruik gaat zo lang te water tot ze barst.
De laatste adem uitblazen.
De laatste loodjes wegen het zwaarst.
De lat hoog leggen.
De maat is vol.
De man met de hamer.
De morgenstond heeft goud in de mond.
De muren hebben oren.
De nek uitsteken.
De pen is machtiger dan het zwaard.
De plank misslaan.
De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.
De puntjes op de i zetten.
De rode draad.
De sigaar zijn.
De spijker op de kop slaan.
De sterke arm der wet.
De stoute schoenen aantrekken.
De tijd heelt alle wonden.
De uitzondering bevestigt de regel.
De vinger op de zere plek leggen.
De vis begint te stinken bij de kop.
De vuile was buiten hangen.
De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.
De wind in de zeilen hebben.
De wind mee hebben.
De zak krijgen.
Door de band genomen.
Door de bomen het bos niet meer zien.
Door de mand vallen.
Door de wol geverfd zijn.
E 39
Een appeltje met iemand te schillen hebben.
Een blauwtje lopen.
Een blok aan het been.
Een druppel op een gloeiende plaat.
Een ezel stoot zich in het algemeen niet tweemaal aan dezelfde steen.
Een gat in de dag slapen.
Een goed begin is het halve werk.
Een goede buur is beter dan een verre vriend.
Een groentje zijn.
Een kat in de zak kopen.
Een kat in het nauw maakt rare sprongen.
Een luis in de pels zijn.
Een ongeluk komt zelden alleen.
Een oude bok lust nog wel een jong blaadje.
Eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand.
Een schot voor de boeg.
Een speld in een hooiberg.
Een steentje bijdragen.
Een storm in een glas water.
Een uil zijn.
Een verborgen agenda hebben.
Een vinger in de pap hebben.
Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken.
Een vreemde eend in de bijt.
Een waarheid als een koe.
Eén zwaluw maakt nog geen lente.
Eerlijkheid duurt het langst.
Elk meent zijn uil een valk te zijn.
Elkaar in de haren vliegen.
Ellebogenwerk.
Er geen gras over laten groeien.
Er geen kaas van hebben gegeten.
Er geen touw aan vast kunnen knopen.
Er is altijd baas boven baas.
Er is geen koe zo bont, of er zit wel een vlekje aan.
Er schuilt een addertje onder het gras.
Er zijn vele wegen die naar Rome leiden.
Ergens de angel uit trekken.
Ergens de buik vol van hebben.
G 10
Geen blad voor de mond nemen.
Geen groot licht zijn.
Geen zorgen voor de dag van morgen.
Gekken en dwazen schrijven hun namen op muren en glazen.
Geld stinkt niet.
Gelijke monniken, gelijke kappen.
Goed begonnen is half gewonnen.
Goed bij de tijd zijn.
Goede wijn behoeft geen krans.
Goedkoop is duurkoop.
H 39
Haastige spoed is zelden goed.
Halsoverkop.
Het beste paard van stal.
Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Het doel heiligt de middelen.
Het geld regeert de wereld.
Het gouden kalf aanbidden.
Het gras bij de buren is altijd groener.
Het hazenpad kiezen.
Het heft in eigen hand nemen.
Het hemd is nader dan de rok.
Het hoofd koel houden.
Het ijs breken.
Het is niet alles goud wat er blinkt.
Het is olie op het vuur.
Het is vlees noch vis.
Het kaf van het koren scheiden.
Het kan verkeren.
Het kind met het badwater weggooien.
Het kind van de rekening worden.
Het kwartje is gevallen.
Het leeuwendeel.
Het loopt in 't honderd.
Het mes snijdt aan twee kanten.
Het paard van Troje binnenhalen.
Het recht in eigen hand nemen.
Het wiel opnieuw uitvinden.
Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen.
Het zwarte schaap van de familie.
Hij begreep er geen fluit van.
Hij heeft de klok wel horen luiden, maar weet niet waar de klepel hangt.
Hij is een vreemde vogel.
Hij is niet op z'n achterhoofd gevallen.
Hij weet waar Abraham de mosterd haalt.
Hoe ouder, hoe gekker.
Hoge bomen vangen veel wind.
Honger is de beste saus.
Hoog van de toren blazen.
Hoogmoed komt vóór de val.
I 25
Iemand aan de tand voelen.
Iemand de ogen uitsteken.
Iemand de pas afsnijden.
Iemand de zwartepiet toespelen.
Iemand iets inpeperen.
Iemand iets op de mouw spelden.
Iemand naar de mond praten.
Iemand uit de brand helpen.
Iemand van haver tot gort kennen.
Iemand wel achter het behang kunnen plakken.
Iemand zand in de ogen strooien.
Iets aan de grote klok hangen.
Iets hoog in het vaandel dragen.
Iets met een korreltje zout nemen.
Iets op de lange baan schuiven.
Iets voor geen goud willen doen.
In de aap gelogeerd zijn.
In de roos schieten.
In de soep lopen.
In goede aarde vallen.
In het donker zijn alle katten grijs.
In het land der blinden is eenoog koning.
In nood leert men zijn vrienden kennen.
In troebel water vissen.
Is de paus katholiek?
J 3
K 5
L 3
M 14
Maart roert zijn staart.
Men mag een gegeven paard niet in de bek kijken.
Men moet de dag niet prijzen voor het avond is.
Men moet het dak repareren als de zon schijnt.
Men moet het ijzer smeden als het heet is.
Men moet zijn bed maken zoals men slapen wil.
Men vangt meer vliegen met een lepel honing dan met een vat azijn.
Met beide benen op de grond staan.
Met de deur in huis vallen.
Met de Franse slag.
Met een schone lei beginnen.
Met man en muis vergaan.
Met vlag en wimpel slagen.
Meten is weten, gissen is missen.
N 7
O 14
Onbekend maakt onbemind.
Onkruid vergaat niet.
Oog om oog en tand om tand.
Oost west, thuis best.
Op de galg schijten.
Op het verkeerde paard wedden.
Op hete kolen zitten.
Op ieder potje past wel een dekseltje.
Op te grote voet leven.
Over iemand de staf breken.
Over lijken gaan.
Over smaak valt niet te twisten.
Overdaad schaadt.
Overstag gaan.
P 2
R 3
S 5
T 6
U 5
V 22
Van A tot Z.
Van de hak op de tak springen.
Van de hoed en de rand weten.
Van de melk zijn.
Van de nood een deugd maken.
Van de prins geen kwaad weten.
Van de sokken gaan.
Van een mug een olifant maken.
Van het kastje naar de muur sturen.
Van uitstel komt afstel.
Veel beloven en weinig geven, doet de zotten in vreugde leven.
Veel geblaat maar weinig wol.
Veel koks bederven de brij.
Vele handen maken licht werk.
Vertrouwen komt te voet en gaat te paard.
Via de achterdeur.
Vieze varkens worden niet vet.
Vijgenbladen zoeken.
Volgens het boekje.
Voor hetzelfde geld.
Voor iemand de kastanjes uit het vuur halen.
Voorkomen is beter dan genezen.
W 28
Waar de boom gevallen is, blijft hij liggen.
Waar een wil is, is een weg.
Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.
Waar rook is, is vuur.
Waarheid met de slag om de arm.
Wat de boer niet kent, dat vreet hij niet.
Wel de splinter in het oog van de ander zien, maar niet de balk in het eigen oog.
Wie a zegt moet ook b zeggen.
Wie appelen vaart, die appelen eet.
Wie bang leeft, gaat ook bang dood.
Wie boter op het hoofd heeft, moet uit de zon blijven.
Wie de naam heeft, krijgt de daad.
Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.
Wie goed doet, goed ontmoet.
Wie het breed heeft, laat het breed hangen.
Wie het eerst komt, die het eerst maalt.
Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.
Wie het laatst lacht, lacht het best.
Wie in een glazen huis woont, moet geen stenen gooien op zijn buurmans dak.
Wie kaatst kan de bal verwachten.
Wie met honden omgaat, krijgt vlooien.
Wie niet waagt, die niet wint.
Wie niet werkt, zal niet eten.
Wie wat bewaart, die heeft wat.
Wie wind zaait, zal storm oogsten.
Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
Wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkruid van een ander niet.
Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
Z 14
Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.
Zelfs de beste breister laat weleens een steekje vallen.
Zich het hoofd breken over iets.
Zijn hart vasthouden.
Zijn kaarten op tafel leggen.
Zijn neus overal insteken.
Zijn schaapjes op het droge hebben.
Zijn schepen achter zich verbranden.
Zo lopen de hazen.
Zo ziek als een hond zijn.
Zoden aan de dijk zetten.
Zolang er leven is, is er hoop.
Zonder geluk vaart niemand wel.
Zwijgen als het graf.