Naar de inhoud

infecteren

aansteken, besmetten

infecteren

werkwoord /ɪnfɛk'terən/

Betekenis

  1. aansteken, besmetten

Hoe spreek je infecteren uit?

/ɪnfɛkˈterən/

Infecteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ɪnfɛkˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
n nek
f fiets
ɛ bed
k kat
t tak
e veel
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van infecteren

infecterenhele werkwoord — infecteerdeverleden tijd enkelvoud — infecteerdenverleden tijd meervoud — geïnfecteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik infecteer infecteerde
jij infecteert infecteerde
hij, zij, het infecteert infecteerde
wij infecteren infecteerden
jullie infecteren infecteerden
zij infecteren infecteerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïnfecteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïnfecteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïnfecteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïnfecteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïnfecteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïnfecteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïnfecteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïnfecteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïnfecteerd verleden tijd, deelwoord
geïnfecteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïnfecteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïnfecteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnfecteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnfecteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïnfecteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïnfecteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïnfecteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïnfecteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïnfecteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnfecteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
infecteer gebiedende wijs
infecteerde verleden tijd
infectere aanvoegende wijs
infecterend onvoltooid, deelwoord
is geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïnfecteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te infecteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen infecteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïnfecteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïnfecteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïnfecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïnfecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïnfecteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïnfecteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïnfecteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt infecteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïnfecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïnfecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïnfecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen infecteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïnfecteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïnfecteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïnfecteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult infecteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘besmetten’ voor het eerst aangetroffen in 1550

Woordfamilie van infecteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
infecteer gebiedende wijs infecteren
infecteerde verleden tijd infecteren
infecteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon infecteren
infecteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon infecteren
infecterend onvoltooid deelwoord infecteren
infecterende woordvorm infecteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van infecteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over infecteren

Hoe spreek ik infecteren uit?
Zo spreek je infecteren uit: /ɪnfɛk'terən/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van infecteren?
Infecteren is een werkwoord. De betekenis is: aansteken, besmetten.
Hoe vervoeg ik infecteren?
Zo vervoeg je infecteren zo: de tegenwoordige tijd is infecteer, de verleden tijd is infecteerde en het voltooid deelwoord is geïnfecteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op infecteren?

Op infecteren rijmen 395 woorden, onder andere abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord infecteren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. F 4
  4. E 1
  5. C 5
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

infecteren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. F 4
  4. E 1
  5. C 5
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

infecteren in het kort

infecteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van infecteren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort infecteren bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

infecteren: aansteken, besmetten
Deel infecteren — standaardnederlands.nl