Naar de inhoud

irrigeren

op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien

irrigeren

werkwoord ˌɪriˈɣerə(n)

Betekenis

  1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
  2. (een wond, lichaamsholte) (met een irrigator) uitspoelen

Hoe spreek je irrigeren uit?

/ˌɪriˈxerən/

Irrigeren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌɪriˈxerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
r rood
i riet
x acht
e veel
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. (met een irrigator) uitspoelen

Vervoeging van irrigeren

irrigerenhele werkwoord — irrigeerdeverleden tijd enkelvoud — irrigeerdenverleden tijd meervoud — geïrrigeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik irrigeer irrigeerde
jij irrigeert irrigeerde
hij, zij, het irrigeert irrigeerde
wij irrigeren irrigeerden
jullie irrigeren irrigeerden
zij irrigeren irrigeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïrrigeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïrrigeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïrrigeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïrrigeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïrrigeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïrrigeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïrrigeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïrrigeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïrrigeerd verleden tijd, deelwoord
geïrrigeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïrrigeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïrrigeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïrrigeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïrrigeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïrrigeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïrrigeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïrrigeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïrrigeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïrrigeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïrrigeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
irrigeer gebiedende wijs
irrigeerde verleden tijd
irrigere aanvoegende wijs
irrigerend onvoltooid, deelwoord
is geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïrrigeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te irrigeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen irrigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïrrigeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïrrigeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïrrigeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïrrigeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïrrigeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïrrigeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïrrigeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïrrigeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïrrigeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïrrigeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen irrigeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïrrigeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïrrigeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïrrigeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult irrigeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevloeien’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Woordfamilie van irrigeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïrrigeerd voltooid deelwoord irrigeren
geïrrigeerde woordvorm irrigeren
irrigeer gebiedende wijs irrigeren
irrigeerde verleden tijd irrigeren
irrigeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon irrigeren
irrigeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon irrigeren
irrigere aanvoegende wijs irrigeren
irrigerend onvoltooid deelwoord irrigeren
irrigerende woordvorm irrigeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van irrigeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over irrigeren

Hoe spreek ik irrigeren uit?
Zo spreek je irrigeren uit: /ˌɪriˈɣerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van irrigeren?
Irrigeren is een werkwoord. De betekenis is: op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik irrigeren?
Zo vervoeg je irrigeren zo: de tegenwoordige tijd is irrigeer, de verleden tijd is irrigeerde en het voltooid deelwoord is geïrrigeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op irrigeren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op irrigeren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord irrigeren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. R 2
  3. R 2
  4. I 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

irrigeren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. R 2
  3. R 2
  4. I 2
  5. G 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

irrigeren in het kort

irrigeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van irrigeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort irrigeren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

irrigeren: op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
Deel irrigeren — standaardnederlands.nl