evacueren
werkwoord /evɑky'erə(n)/Betekenis
- iets of iemand in veiligheid brengen i.v.m. een noodsituatie
- de woonplaats voor de veiligheid verlaten
- het lichaam ledigen van ongewenste lichaamsproducten, d.i. uitpoepen, uitplassen, uitbraken e.d.
Hoe spreek je evacueren uit?
/evɑkyˈerən/
Evacueren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van evacueren
evacuerenhele werkwoord — evacueerdeverleden tijd enkelvoud — evacueerdenverleden tijd meervoud — geëvacueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | evacueer | evacueerde |
| jij | evacueert | evacueerde |
| hij, zij, het | evacueert | evacueerde |
| wij | evacueren | evacueerden |
| jullie | evacueren | evacueerden |
| zij | evacueren | evacueerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geëvacueerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was geëvacueerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd geëvacueerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt geëvacueerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geëvacueerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal geëvacueerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou geëvacueerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou geëvacueerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| evacueer | gebiedende wijs |
| evacueerde | verleden tijd |
| evacuere | aanvoegende wijs |
| evacuerend | onvoltooid, deelwoord |
| geëvacueerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëvacueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëvacueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëvacueerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvacueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvacueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëvacueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëvacueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëvacueerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëvacueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëvacueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geëvacueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te evacueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben/zijn geëvacueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen evacueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëvacueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëvacueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëvacueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëvacueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëvacueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëvacueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëvacueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen evacueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëvacueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëvacueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëvacueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult evacueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëvacueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëvacueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het Franse évacuer (met het achtervoegsel -eren).
Woordfamilie van evacueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| evacueer | gebiedende wijs | evacueren |
| evacueerde | verleden tijd | evacueren |
| evacueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | evacueren |
| evacueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | evacueren |
| evacuere | aanvoegende wijs | evacueren |
| evacuerend | onvoltooid deelwoord | evacueren |
| evacuerende | woordvorm | evacueren |
| geëvacueerd | voltooid deelwoord | evacueren |
| geëvacueerde | woordvorm | evacueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van evacueren zijn vastgelegd.