Naar de inhoud

cumuleren

zich opstapelen, ophopen

cumuleren

werkwoord /kymyˈlerə(n)/

Betekenis

  1. zich opstapelen, ophopen
  2. het samenvoegen van verschillende percelen of kavels bij een verkoop
  3. (Vlaanderen) een bepaald ambt of functie combineren met een ander ambt
  4. (Vlaanderen) verschillende ambten gelijktijdig uitoefenen

Hoe spreek je cumuleren uit?

/kymyˈlerən/

Cumuleren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /kymyˈlerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
y fuut
m maan
l land
e veel
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een bepaald ambt of functie combineren met een ander ambt Flanders, transitive
  2. verschillende ambten gelijktijdig uitoefenen Flanders, unergative

Vervoeging van cumuleren

cumulerenhele werkwoord — cumuleerdeverleden tijd enkelvoud — cumuleerdenverleden tijd meervoud — gecumuleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik cumuleer cumuleerde
jij cumuleert cumuleerde
hij, zij, het cumuleert cumuleerde
wij cumuleren cumuleerden
jullie cumuleren cumuleerden
zij cumuleren cumuleerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
cumuleer gebiedende wijs
cumuleerde verleden tijd
cumulere aanvoegende wijs
cumulerend onvoltooid, deelwoord
er is gecumuleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gecumuleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gecumuleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gecumuleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gecumuleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gecumuleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gecumuleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gecumuleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gecumuleerd verleden tijd, deelwoord
gecumuleerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecumuleerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gecumuleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecumuleerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecumuleerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gecumuleerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecumuleerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gecumuleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecumuleerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gecumuleerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gecumuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gecumuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gecumuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gecumuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gecumuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gecumuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gecumuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecumuleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te cumuleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gecumuleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen cumuleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gecumuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecumuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gecumuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gecumuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gecumuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gecumuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gecumuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gecumuleerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gecumuleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gecumuleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gecumuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gecumuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gecumuleerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen cumuleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gecumuleerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gecumuleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gecumuleerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult cumuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gecumuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecumuleerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gecumuleerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opeenhopen’ voor het eerst aangetroffen in 1650

Woordfamilie van cumuleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
cumuleer gebiedende wijs cumuleren
cumuleerde verleden tijd cumuleren
cumuleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon cumuleren
cumuleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon cumuleren
cumulere aanvoegende wijs cumuleren
cumulerend onvoltooid deelwoord cumuleren
cumulerende woordvorm cumuleren
gecumuleerd voltooid deelwoord cumuleren
gecumuleerde woordvorm cumuleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cumuleren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over cumuleren

Hoe spreek je cumuleren uit?
De uitspraak van cumuleren is: /kymyˈlerə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent cumuleren?
Cumuleren is een werkwoord. Het woord betekent: zich opstapelen, ophopen. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je cumuleren?
Je vervoegt cumuleren als volgt: de tegenwoordige tijd is cumuleer, de verleden tijd is cumuleerde en het voltooid deelwoord is gecumuleerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op cumuleren?

Cumuleren rijmt op 395 woorden op -eren; abonneren, controleren en centrifugeren bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord cumuleren is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. U 4
  3. M 3
  4. U 4
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

cumuleren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. U 2
  3. M 3
  4. U 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

cumuleren in het kort

cumuleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van cumuleren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort cumuleren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

cumuleren: zich opstapelen, ophopen
Deel cumuleren — standaardnederlands.nl