distribueren
werkwoord /dɪstriby'erə(n)/Betekenis
- uitdelen, verspreiden, bezorgen, rondbrengen
Hoe spreek je distribueren uit?
/dɪstribyˈerən/
Distribueren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| i | riet |
| b | bak |
| y | fuut |
| e | veel |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van distribueren
distribuerenhele werkwoord — distribueerdeverleden tijd enkelvoud — distribueerdenverleden tijd meervoud — gedistribueerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | distribueer | distribueerde |
| jij | distribueert | distribueerde |
| hij, zij, het | distribueert | distribueerde |
| wij | distribueren | distribueerden |
| jullie | distribueren | distribueerden |
| zij | distribueren | distribueerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| distribueer | gebiedende wijs |
| distribueerde | verleden tijd |
| distribuere | aanvoegende wijs |
| distribuerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedistribueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedistribueerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedistribueerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedistribueerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedistribueerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedistribueerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedistribueerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedistribueerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedistribueerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedistribueerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedistribueerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedistribueerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedistribueerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedistribueerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedistribueerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedistribueerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedistribueerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedistribueerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedistribueerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedistribueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te distribueren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedistribueerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen distribueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedistribueerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedistribueerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedistribueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedistribueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedistribueerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedistribueerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedistribueerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen distribueren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedistribueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedistribueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedistribueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult distribueren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedistribueerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedistribueerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedistribueerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verdelen’ voor het eerst aangetroffen in 1404
Woordfamilie van distribueren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| distribueer | gebiedende wijs | distribueren |
| distribueerde | verleden tijd | distribueren |
| distribueerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | distribueren |
| distribueert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | distribueren |
| distribuere | aanvoegende wijs | distribueren |
| distribuerend | onvoltooid deelwoord | distribueren |
| distribuerende | woordvorm | distribueren |
| gedistribueerd | voltooid deelwoord | distribueren |
| gedistribueerde | woordvorm | distribueren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van distribueren zijn vastgelegd.