emigreren
werkwoord ˌemiˈɣrerə(n)Betekenis
- naar het buitenland verhuizen
Hoe spreek je emigreren uit?
/ˌemiˈxrerən/
Emigreren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| m | maan |
| i | riet |
| x | acht |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van emigreren
emigrerenhele werkwoord — emigreerdeverleden tijd enkelvoud — emigreerdenverleden tijd meervoud — geëmigreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | emigreer | emigreerde |
| jij | emigreert | emigreerde |
| hij, zij, het | emigreert | emigreerde |
| wij | emigreren | emigreerden |
| jullie | emigreren | emigreerden |
| zij | emigreren | emigreerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| emigreer | gebiedende wijs |
| emigreerde | verleden tijd |
| emigrere | aanvoegende wijs |
| emigrerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëmigreerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëmigreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmigreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëmigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmigreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te emigreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëmigreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen emigreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëmigreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen emigreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult emigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëmigreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uitwijken naar ander land’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van emigreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emigreer | gebiedende wijs | emigreren |
| emigreerde | verleden tijd | emigreren |
| emigreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | emigreren |
| emigreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | emigreren |
| emigrere | aanvoegende wijs | emigreren |
| emigrerend | onvoltooid deelwoord | emigreren |
| emigrerende | woordvorm | emigreren |
| geëmigreerd | voltooid deelwoord | emigreren |
| geëmigreerde | woordvorm | emigreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emigreren zijn vastgelegd.