Naar de inhoud

constateren

vaststellen

constateren

werkwoord /kɔnsta'terə(n)/

Betekenis

  1. vaststellen

Hoe spreek je constateren uit?

/kɔnstaˈterən/

Constateren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /kɔnstaˈterən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
ɔ bot
n nek
s sok
t tak
a maan
e veel
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van constateren

constaterenhele werkwoord — constateerdeverleden tijd enkelvoud — constateerdenverleden tijd meervoud — geconstateerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik constateer constateerde
jij constateert constateerde
hij, zij, het constateert constateerde
wij constateren constateerden
jullie constateren constateerden
zij constateren constateerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
constateer gebiedende wijs
constateerde verleden tijd
constatere aanvoegende wijs
constaterend onvoltooid, deelwoord
er is geconstateerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geconstateerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geconstateerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geconstateerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geconstateerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geconstateerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geconstateerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geconstateerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geconstateerd verleden tijd, deelwoord
geconstateerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconstateerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geconstateerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconstateerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconstateerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geconstateerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconstateerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geconstateerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconstateerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geconstateerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geconstateerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geconstateerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geconstateerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geconstateerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geconstateerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geconstateerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geconstateerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconstateerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te constateren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geconstateerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen constateren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geconstateerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconstateerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geconstateerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geconstateerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geconstateerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geconstateerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geconstateerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geconstateerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geconstateerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geconstateerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geconstateerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt constateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geconstateerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geconstateerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen constateren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geconstateerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geconstateerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geconstateerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult constateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geconstateerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconstateerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geconstateerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vaststellen’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Woordfamilie van constateren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
constateer gebiedende wijs constateren
constateerde verleden tijd constateren
constateerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon constateren
constateert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon constateren
constatere aanvoegende wijs constateren
constaterend onvoltooid deelwoord constateren
constaterende woordvorm constateren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van constateren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over constateren

Hoe spreek ik constateren uit?
Zo spreek je constateren uit: /kɔnsta'terə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van constateren?
Constateren is een werkwoord. De betekenis is: vaststellen.
Hoe vervoeg ik constateren?
Zo vervoeg je constateren zo: de tegenwoordige tijd is constateer, de verleden tijd is constateerde en het voltooid deelwoord is geconstateerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op constateren?

Er staan 395 woorden in dit woordenboek die op constateren rijmen, waaronder abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord constateren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

constateren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. C 5
  2. O 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

constateren in het kort

constateren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van constateren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort constateren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

constateren: vaststellen
Deel constateren — standaardnederlands.nl