Naar de inhoud

incasseren

(geld) in ontvangst nemen

incasseren

werkwoord ˌɪŋkɑˈserə(n)

Betekenis

  1. (geld) in ontvangst nemen
  2. (klappen, beledigingen) te verduren krijgen

Hoe spreek je incasseren uit?

/ˌɪŋkɑˈserən/

Incasseren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌɪŋkɑˈserən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
ŋ ding
k kat
ɑ bad
s sok
e veel
r rood
ə de
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. in ontvangst nemen transitive
  2. te verduren krijgen transitive

Vervoeging van incasseren

incasserenhele werkwoord — incasseerdeverleden tijd enkelvoud — incasseerdenverleden tijd meervoud — geïncasseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik incasseer incasseerde
jij incasseert incasseerde
hij, zij, het incasseert incasseerde
wij incasseren incasseerden
jullie incasseren incasseerden
zij incasseren incasseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïncasseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïncasseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïncasseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïncasseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïncasseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïncasseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïncasseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïncasseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïncasseerd verleden tijd, deelwoord
geïncasseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïncasseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïncasseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïncasseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïncasseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïncasseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïncasseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïncasseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïncasseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïncasseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïncasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïncasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïncasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïncasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïncasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïncasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïncasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïncasseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
incasseer gebiedende wijs
incasseerde verleden tijd
incassere aanvoegende wijs
incasserend onvoltooid, deelwoord
is geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïncasseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te incasseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen incasseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïncasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïncasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïncasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïncasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïncasseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïncasseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïncasseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïncasseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïncasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïncasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïncasseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïncasseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïncasseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt incasseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïncasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïncasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïncasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen incasseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïncasseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïncasseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïncasseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult incasseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘in ontvangst nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1793

Woordfamilie van incasseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïncasseerd voltooid deelwoord incasseren
geïncasseerde woordvorm incasseren
incasseer gebiedende wijs incasseren
incasseerde verleden tijd incasseren
incasseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon incasseren
incasseeren woordvorm incasseren
incasseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon incasseren
incassere aanvoegende wijs incasseren
incasserend onvoltooid deelwoord incasseren
incasserende woordvorm incasseren
inkasseren woordvorm incasseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van incasseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over incasseren

Hoe spreek je incasseren uit?
De uitspraak van incasseren is: /ˌɪŋkɑˈserə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent incasseren?
Incasseren is een werkwoord. Het woord betekent: (geld) in ontvangst nemen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je incasseren?
Je vervoegt incasseren als volgt: de tegenwoordige tijd is incasseer, de verleden tijd is incasseerde en het voltooid deelwoord is geïncasseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op incasseren?

Op incasseren rijmen 395 woorden, onder andere abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord incasseren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. C 5
  4. A 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

incasseren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. C 5
  4. A 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

incasseren in het kort

incasseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van incasseren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort incasseren bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

incasseren: (geld) in ontvangst nemen
Deel incasseren — standaardnederlands.nl