asfalteren
werkwoord ɑsfɑlˈterə(n)Betekenis
- bedekken met asfalt
Hoe spreek je asfalteren uit?
/ɑsfɑlˈterən/
Asfalteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| s | sok |
| f | fiets |
| l | land |
| t | tak |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bedekken met een mengsel van bitumen, steentjes en andere stoffen transitive
Vervoeging van asfalteren
asfalterenhele werkwoord — asfalteerdeverleden tijd enkelvoud — asfalteerdenverleden tijd meervoud — geasfalteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | asfalteer | asfalteerde |
| jij | asfalteert | asfalteerde |
| hij, zij, het | asfalteert | asfalteerde |
| wij | asfalteren | asfalteerden |
| jullie | asfalteren | asfalteerden |
| zij | asfalteren | asfalteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| asfalteer | gebiedende wijs |
| asfalteerde | verleden tijd |
| asfaltere | aanvoegende wijs |
| asfalterend | onvoltooid, deelwoord |
| ben geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geasfalteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geasfalteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geasfalteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geasfalteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geasfalteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geasfalteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geasfalteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geasfalteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geasfalteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geasfalteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geasfalteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geasfalteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geasfalteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geasfalteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geasfalteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geasfalteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geasfalteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geasfalteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geasfalteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geasfalteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te asfalteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geasfalteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen asfalteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geasfalteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geasfalteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geasfalteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geasfalteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geasfalteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geasfalteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geasfalteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen asfalteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geasfalteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geasfalteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geasfalteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult asfalteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geasfalteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geasfalteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geasfalteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van Frans asphalter ww met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van asfalteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| asfalteer | gebiedende wijs | asfalteren |
| asfalteerde | verleden tijd | asfalteren |
| asfalteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | asfalteren |
| asfalteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | asfalteren |
| asfaltere | aanvoegende wijs | asfalteren |
| asfalterend | onvoltooid deelwoord | asfalteren |
| asfalterende | woordvorm | asfalteren |
| geasfalteerd | voltooid deelwoord | asfalteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van asfalteren zijn vastgelegd.