ijsbeer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɛizberBetekenis
- een grote witte beer die van nature in het Noordpoolgebied leeft
Hoe spreek je ijsbeer uit?
/ˈɛizber/
Ijsbeer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| z | zon |
| b | bak |
| e | veel |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus, een grote witte beer die van nature in het Noordpoolgebied leeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ijsbeertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ijsbeertjes | verkleinwoord, meervoud |
| ijsberen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijsberen
- gebiedende wijs van ijsberen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijsberen
Vervoeging van ijsbeer
ijsbeerhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van ijs zn en beer zn , in de betekenis van ‘soort beer’ voor het eerst aangetroffen in 1788
Woordfamilie van ijsbeer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ijsbeertje | verkleinwoord | ijsbeer |
| ijsbeertjes | verkleinwoord meervoud | ijsbeer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ijsbeer zijn vastgelegd.