beerenburg
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kruidenbitter uit Friesland
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beerenburgen | meervoud |
| beerenburgje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beerenburgjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘kruidenbitter’ voor het eerst aangetroffen in 1909
Woordfamilie van beerenburg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beerenburgen | meervoud | beerenburg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beerenburg zijn vastgelegd.