differentiëren
werkwoord /dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/Betekenis
- vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
- het berekenen van de lokale stijging in een functie, het bepalen van de afgeleide van een functie
Hoe spreek je differentiëren uit?
/dɪfərɛnˈtʃerən/
Differentiëren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| f | fiets |
| ə | de |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van differentiëren
differentiërenhele werkwoord — differentieerdeverleden tijd enkelvoud — differentieerdenverleden tijd meervoud — gedifferentieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | differentieer | differentieerde |
| jij | differentieert | differentieerde |
| hij, zij, het | differentieert | differentieerde |
| wij | differentiëren | differentieerden |
| jullie | differentiëren | differentieerden |
| zij | differentiëren | differentieerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| differentieer | gebiedende wijs |
| differentieerde | verleden tijd |
| differentiëre | aanvoegende wijs |
| differentiërend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedifferentieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedifferentieerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedifferentieerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedifferentieerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedifferentieerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedifferentieerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedifferentieerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedifferentieerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedifferentieerd | verleden tijd, deelwoord |
| gedifferentieerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedifferentieerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedifferentieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedifferentieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedifferentieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te differentiëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedifferentieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen differentiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedifferentieerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen differentiëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult differentiëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedifferentieerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘uiteenlopen’ voor het eerst aangetroffen in 1823
Woordfamilie van differentiëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| differentieer | gebiedende wijs | differentiëren |
| differentieerde | verleden tijd | differentiëren |
| differentieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | differentiëren |
| differentieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | differentiëren |
| differentiëre | aanvoegende wijs | differentiëren |
| differentiërend | onvoltooid deelwoord | differentiëren |
| differentiërende | woordvorm | differentiëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van differentiëren zijn vastgelegd.