Naar de inhoud

onderscheiden

een verschil in aanmerking nemen

onderscheiden is meer dan één woord

onderscheiden

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˌɔndərˈsxɛidə(n)

Betekenis

  1. een verschil in aanmerking nemen
  2. een verschil waarnemen
  3. iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
  4. onderkennen
  5. zich ~: door eigen toedoen opvallen
  6. verschillend

Hoe spreek je onderscheiden uit?

/ˌɔndərˈsxɛidən/

Onderscheiden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌɔndərˈsxɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
d dak
ə de
r rood
s sok
x acht
ɛi trein
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van onderscheiden

onderscheidenhele werkwoord — onderscheiddeverleden tijd enkelvoud — onderscheiddenverleden tijd meervoud — onderscheidenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik onderscheid onderscheidde
jij onderscheidt onderscheidde
hij, zij, het onderscheidt onderscheidde
wij onderscheiden onderscheidden
jullie onderscheiden onderscheidden
zij onderscheiden onderscheidden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is onderscheiden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was onderscheiden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd onderscheiden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt onderscheiden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal onderscheiden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal onderscheiden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou onderscheiden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou onderscheiden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had onderscheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had onderscheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had onderscheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden onderscheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden onderscheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden onderscheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt onderscheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben onderscheiden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
onderscheid gebiedende wijs
onderscheid me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
onderscheid u/je , onderscheidt je gebiedende wijs
onderscheidde verleden tijd
onderscheidde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
onderscheidde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
onderscheidde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
onderscheidde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
onderscheidde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
onderscheidde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
onderscheidde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
onderscheidden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
onderscheidden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
onderscheidden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
onderscheide aanvoegende wijs
onderscheide zich aanvoegende wijs
onderscheiden verleden tijd, deelwoord
onderscheiden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
onderscheiden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
onderscheiden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
onderscheiden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
onderscheiden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
onderscheiden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
onderscheiden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
onderscheiden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
onderscheiden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
onderscheiden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
onderscheiden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
onderscheiden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
onderscheiden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
onderscheidend onvoltooid, deelwoord
onderscheidt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
onderscheidt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
onderscheidt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
onderscheidt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
onderscheidt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
onderscheidt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben onderscheiden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te onderscheiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen onderscheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart onderscheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren onderscheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren onderscheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren onderscheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was onderscheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was onderscheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was onderscheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt onderscheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me onderscheiden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal onderscheiden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal onderscheiden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal onderscheiden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal onderscheiden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal onderscheiden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich onderscheiden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je onderscheiden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich onderscheiden hebben verleden tijd
zich onderscheidend onvoltooid, deelwoord
zijn onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt onderscheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt onderscheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt onderscheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt onderscheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je onderscheiden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen onderscheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen onderscheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van onderscheiden

Vervoeging van onderscheiden

onderscheidenhele werkwoord

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord onderscheid

Herkomst

samenstelling van onder bw en scheiden ww

Woordfamilie van onderscheiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
onderscheidde verleden tijd onderscheiden
onderscheidden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon onderscheiden
onderscheide aanvoegende wijs onderscheiden
onderscheidens woordvorm onderscheiden
onderscheidt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon onderscheiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderscheiden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over onderscheiden

Hoe spreek ik onderscheiden uit?
Zo spreek je onderscheiden uit: /ˌɔndərˈsxɛidə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van onderscheiden?
Onderscheiden is een werkwoord. De betekenis is: een verschil in aanmerking nemen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik onderscheiden?
Zo vervoeg je onderscheiden zo: de tegenwoordige tijd is onderscheid, de verleden tijd is onderscheidde en het voltooid deelwoord is onderscheiden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op onderscheiden?

Er staan 45 woorden in dit woordenboek die op onderscheiden rijmen, waaronder overlijden, vermijden en heiden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op onderscheiden, uitspraak ˌɔndərˈsxɛidən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overlijden 4
vermijden 3
heiden 2
begeleiden 4
medelijden 4
strijden 2
voorbereiden 4
scheiden 2
lijden 2
bestrijden 3
leiden 2
rijden 2
glijden 2
zijden 2
kastijden 3
schrijden 2
overrijden 4
verleiden 3
bezijden 3
zelfmedelijden 6
verbreiden 3
hongerlijden 4
verwijden 3
ontwijden 3
rekeningrijden 5
aanbestedingsbeleiden 7
aanlooptijden 4
aanrijtijden 4
aanvangstijden 4
amstelveen 2
begeleidden 4
bergweiden 4
binnenleiden 4
breeën 2
breiden 2
emancipatiestrijden 7
gescheiden 3
hondenweiden 4
jaargetijden 4
komkommertijden 5
Nog 5 rijmwoorden
ontvoogdingsstrijden 5
openingstijden 5
prestigestrijden 5
zeiden 2
zorgtijden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord onderscheiden is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. E 1
  10. I 1
  11. D 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

onderscheiden levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. E 1
  10. I 2
  11. D 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 25 zonder bonus
  15. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

onderscheiden in het kort

onderscheiden is zowel werkwoord, bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de betekenissen geldt, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van onderscheiden staan er 102 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort onderscheiden bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

onderscheiden: een verschil in aanmerking nemen
Deel onderscheiden — standaardnederlands.nl