onderscheiden
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˌɔndərˈsxɛidə(n)Betekenis
- een verschil in aanmerking nemen
- een verschil waarnemen
- iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
- onderkennen
- zich ~: door eigen toedoen opvallen
- verschillend
Hoe spreek je onderscheiden uit?
/ˌɔndərˈsxɛidən/
Onderscheiden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van onderscheiden
onderscheidenhele werkwoord — onderscheiddeverleden tijd enkelvoud — onderscheiddenverleden tijd meervoud — onderscheidenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onderscheid | onderscheidde |
| jij | onderscheidt | onderscheidde |
| hij, zij, het | onderscheidt | onderscheidde |
| wij | onderscheiden | onderscheidden |
| jullie | onderscheiden | onderscheidden |
| zij | onderscheiden | onderscheidden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is onderscheiden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was onderscheiden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd onderscheiden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt onderscheiden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal onderscheiden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal onderscheiden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou onderscheiden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou onderscheiden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had onderscheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had onderscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had onderscheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden onderscheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden onderscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden onderscheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt onderscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onderscheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onderscheid | gebiedende wijs |
| onderscheid me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| onderscheid u/je , onderscheidt je | gebiedende wijs |
| onderscheidde | verleden tijd |
| onderscheidde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderscheidde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderscheidde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| onderscheidde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderscheidde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderscheidde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| onderscheidde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderscheidden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderscheidden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderscheidden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderscheide | aanvoegende wijs |
| onderscheide zich | aanvoegende wijs |
| onderscheiden | verleden tijd, deelwoord |
| onderscheiden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderscheiden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderscheiden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onderscheiden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onderscheiden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderscheiden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderscheiden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderscheiden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onderscheiden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderscheiden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onderscheiden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderscheiden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderscheiden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderscheidend | onvoltooid, deelwoord |
| onderscheidt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| onderscheidt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderscheidt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderscheidt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| onderscheidt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderscheidt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben onderscheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te onderscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onderscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart onderscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onderscheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren onderscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onderscheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was onderscheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was onderscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was onderscheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt onderscheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me onderscheiden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal onderscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal onderscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal onderscheiden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderscheiden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich onderscheiden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je onderscheiden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich onderscheiden hebben | verleden tijd |
| zich onderscheidend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt onderscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt onderscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onderscheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onderscheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je onderscheiden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen onderscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onderscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van onderscheiden
Vervoeging van onderscheiden
onderscheidenhele werkwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord onderscheid
Herkomst
samenstelling van onder bw en scheiden ww
Woordfamilie van onderscheiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onderscheidde | verleden tijd | onderscheiden |
| onderscheidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onderscheiden |
| onderscheide | aanvoegende wijs | onderscheiden |
| onderscheidens | woordvorm | onderscheiden |
| onderscheidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | onderscheiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderscheiden zijn vastgelegd.