repetitor
zelfstandig naamwoordBetekenis
- correpetitor, muzikant die koor, zanger of andere muzikant begeleidt bij het instuderen
- leraar die studenten op een tentamen voorbereidt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| repetitoren | meervoud |
| repetitors | meervoud |
| repetitortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| repetitortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘die met studenten de leerstof doorneemt’ voor het eerst aangetroffen in 1786
Woordfamilie van repetitor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| repetitoren | meervoud | repetitor |
| repetitors | meervoud | repetitor |
| repetitortje | verkleinwoord | repetitor |
| repetitortjes | verkleinwoord meervoud | repetitor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van repetitor zijn vastgelegd.