Naar de inhoud

planeren

vliegen zonder, of met afgezette motor

planeren

werkwoord plaˈnerə(n)

Betekenis

  1. vliegen zonder, of met afgezette motor
  2. snel varen met een boot waarbij de romp op het water glijdt

Hoe spreek je planeren uit?

/plaˈnerən/

Planeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /plaˈnerən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
l land
a maan
n nek
e veel
r rood
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van planeren

planerenhele werkwoord — planeerdeverleden tijd enkelvoud — planeerdenverleden tijd meervoud — geplaneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik planeer planeerde
jij planeert planeerde
hij, zij, het planeert planeerde
wij planeren planeerden
jullie planeren planeerden
zij planeren planeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geplaneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geplaneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geplaneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geplaneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geplaneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geplaneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geplaneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geplaneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geplaneerd verleden tijd, deelwoord
geplaneerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geplaneerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geplaneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplaneerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplaneerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplaneerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geplaneerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geplaneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geplaneerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geplaneerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geplaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geplaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geplaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geplaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geplaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geplaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geplaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplaneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
planeer gebiedende wijs
planeerde verleden tijd
planere aanvoegende wijs
planerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geplaneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te planeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen planeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geplaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geplaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geplaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geplaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geplaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geplaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geplaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geplaneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geplaneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplaneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geplaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geplaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geplaneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt planeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geplaneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplaneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplaneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen planeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geplaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geplaneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geplaneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult planeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zweven’ voor het eerst aangetroffen in 1929

Woordfamilie van planeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geplaneerd voltooid deelwoord planeren
geplaneerde woordvorm planeren
planeer gebiedende wijs planeren
planeerde verleden tijd planeren
planeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon planeren
planeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon planeren
planere aanvoegende wijs planeren
planerend onvoltooid deelwoord planeren
planerende woordvorm planeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van planeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over planeren

Hoe spreek ik planeren uit?
Zo spreek je planeren uit: /plaˈnerə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van planeren?
Planeren is een werkwoord. De betekenis is: vliegen zonder, of met afgezette motor. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik planeren?
Zo vervoeg je planeren zo: de tegenwoordige tijd is planeer, de verleden tijd is planeerde en het voltooid deelwoord is geplaneerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op planeren?

Op planeren rijmen 395 woorden, onder andere abonneren, controleren en centrifugeren. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Nog 60 rijmwoorden

Er zijn er 395 in totaal; hier staan de kortste 100.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord planeren is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

planeren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

planeren in het kort

planeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van planeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort planeren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

planeren: vliegen zonder, of met afgezette motor
Deel planeren — standaardnederlands.nl