surfen
werkwoord /ˈsʏrvə(n)/Betekenis
- door de golfenergie voortbewogen worden, bijvoorbeeld op surfplanken of met boten, golfsurfen
- zich op het internet begeven
Hoe spreek je surfen uit?
/ˈsʏrvən/
Surfen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ʏ | put |
| r | rood |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van surfen
surfenhele werkwoord — surfdeverleden tijd enkelvoud — surfdenverleden tijd meervoud — gesurfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | surf | surfde |
| jij | surft | surfde |
| hij, zij, het | surft | surfde |
| wij | surfen | surfden |
| jullie | surfen | surfden |
| zij | surfen | surfden |
Alle 91 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesurfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesurfd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesurfd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesurfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesurfd | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesurfd | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesurfd | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesurfd | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesurfd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesurfd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesurfd | verleden tijd, deelwoord |
| gesurft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesurft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesurft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| gesurft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| gesurft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| gesurft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| gesurft | verleden tijd, deelwoord |
| gesurft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gesurft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gesurft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gesurft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gesurft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gesurft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gesurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gesurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gesurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gesurft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gesurft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gesurft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gesurft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesurft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| gesurft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| gesurft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| gesurft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| gesurft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt/heeft gesurfd gesurft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| surf | gebiedende wijs |
| surfde | verleden tijd |
| surfe | aanvoegende wijs |
| surfend | onvoltooid, deelwoord |
| surfte | verleden tijd |
| te hebben gesurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te surfen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen surfen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesurfd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesurfd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal/zult gesurfd gesurft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zou gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou/zoudt gesurfd gesurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesurfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt surfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesurfd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesurfd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesurfd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen surfen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesurfd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult surfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult/zal gesurfd gesurft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘plankzeilen’ voor het eerst aangetroffen in 1969
Woordfamilie van surfen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesurfd | voltooid deelwoord | surfen |
| gesurft | voltooid deelwoord | surfen |
| surfde | verleden tijd | surfen |
| surfden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | surfen |
| surfe | aanvoegende wijs | surfen |
| surfend | onvoltooid deelwoord | surfen |
| surfende | woordvorm | surfen |
| surft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | surfen |
| surfte | verleden tijd | surfen |
| surften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | surfen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van surfen zijn vastgelegd.