zweven
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzwevə(n)Betekenis
- vliegen zonder energie te gebruiken
- zichzelf drijvend voortbewegen
- heen en weer laten gaan
Hoe spreek je zweven uit?
/ˈzwevən/
Zweven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zweven
zwevenhele werkwoord — zweefdeverleden tijd enkelvoud — zweefdenverleden tijd meervoud — gezweefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zweef | zweefde |
| jij | zweeft | zweefde |
| hij, zij, het | zweeft | zweefde |
| wij | zweven | zweefden |
| jullie | zweven | zweefden |
| zij | zweven | zweefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezweefd | verleden tijd, deelwoord |
| gezweefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezweefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezweefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezweefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezweefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezweefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezweefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezweefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezweefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezweefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezweefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezweefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zweven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zweven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezweefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zweven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zweven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezweefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zweven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zweef | gebiedende wijs |
| zweefde | verleden tijd |
| zweve | aanvoegende wijs |
| zwevend | onvoltooid, deelwoord |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zweef
Herkomst
In de betekenis van ‘drijven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van zweven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezweefd | voltooid deelwoord | zweven |
| zweefde | verleden tijd | zweven |
| zweefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zweven |
| zweeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zweven |
| zweve | aanvoegende wijs | zweven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zweven zijn vastgelegd.